
Help!
Columnist Jeroen Postma leerde om hulp te vragen nadat hij een boksersfractuur opliep tijdens een festival in Duitsland.
Ik vraag liever niet om hulp bij dingen, al helemaal niet in mijn werk. Het zal waarschijnlijk te maken hebben met de jaren die ik in restaurantkeukens heb doorgebracht: om hulp vragen is het niet trekken, is verliezen. Dat zal mij zo min mogelijk overkomen. Daarnaast is het ook nog eens iemand anders belasten met jouw problemen. Daarom vraag ik nog steeds liever niet aan het secretariaat of ze dingen voor me willen uitzoeken, printen of kopiëren. Wie ben ik om iemand anders op te zadelen met misschien weinig verheffend werk? Ik ben ook nog eens een beetje een control freak. Zodoende blijf ik liever tot negen uur of nog later op kantoor zitten dan dat ik mijn vinger opsteek dat het misschien wat veel is, of dat ik er anderszins niet helemaal uit kom. Tot nu toe lukt het op die manier.
Afgelopen week stond ik vier fantastische dagen op een festival in Duitsland. Fijne elektronische bliepjes en bloepjes en boenkjes, heerlijke sfeer, prachtige mensen. Volledig buiten de alledaagse werkelijkheid. Na een poging tot contact met het thuisfront liep ik in het donker terug naar het podium, maar onderweg kwam ik een paaltje tegen. Eenmaal weer opgekrabbeld keek ik naar mijn linkerhand - had ik daar niet eerst een knokkel?
Terug in Nederland wees een röntgenfoto uit dat mijn inmiddels indrukwekkend opgezwollen hand inderdaad stuk was. Boksersfractuur - stoere naam voor een lullig botje. Na vier dagen met niet al te veel slaap was ik mentaal al niet op mijn meest weerbaar, maar na met een ingegipst pootje een half uur met mijn fietsslot te hebben gekloot zakte de moed me een beetje in de schoenen. Zes weken mijn geestverlichtende racefiets laten staan, en dingen als douchen, mijn veters strikken en mezelf aankleden waren ineens forse hindernissen geworden. En die week zou ik ook nog eens met een nieuwe baan beginnen. Welja.
Het voelde ook niet heel best toen mijn vriendinnetje mijn was op stond te vouwen terwijl ik een beetje sip op bed lag en bepaald niet hemelbestormende verhalen over het weekend aan het vertellen was. En op een ander ministerie de lift pakte en weer volledig op nul zat, qua netwerk, kennis van zaken of überhaupt hoe ik mijn computer aan de praat kreeg. Ik ben niks. Ik kan niks. Ik ben mensen tot last. Maar noodgedwongen ging het lopende de week beter. Mijn huisgenoot heeft mijn sokken opgevouwen. Een collega hielp me mijn jas aantrekken, een ander bood aan mijn dienblad te dragen. En er is relatief veel begrip voor het feit dat ik er zo'n drie keer langer over doe om een fatsoenlijke mail te typen.
Misschien werd dat wel bedoeld met die participatiemaatschappij waar we een paar jaar terug allemaal de mond vol van hadden. Kijken waar je kan helpen is een ding, en laten we dat allemaal vooral ook doen. Maar je ego even wegschuiven, en toestaan dat je geholpen wordt, dat is minstens zo'n grote uitdaging. Ik ben in een week een eind gekomen. Was dat gebroken pootje toch nog ergens goed voor.
Jeroen Postma (Wageningen, 1984) studeerde (vrij lang) Internationale Bedrijfskunde aan de Universiteit Maastricht. Na de bul en de bijbehorende existentiële crisis is hij begonnen als trainee bij de Rijksoverheid en werkt inmiddels als beleidsadviseur. Eens per maand schrijft hij over werk, leven en dingen.
