
Discriminatie is er in vele tinten grijs, ervaart journalist Erzsó Alföldy
De Black Lives Matter-protesten hebben ook journalist Erzsó Alföldy, geboren in Hongarije, aan het denken gezet. Wat zijn haar ervaringen – als witte vrouw maar met een niet-Nederlandse naam – met discriminatie?
Door alle recente aandacht voor racisme en discriminatie naar aanleiding van BLM ben ook ik aan het denken gezet. Wat betekent dat eigenlijk: ‘Black Lives Matter’? Geldt dat alleen voor mensen met een donkere huidskleur, zoals Surinamers en Antillianen in Nederland? Die niet alleen dagelijks de gevolgen van discriminatie ondervinden vanwege hun huidskleur, maar ook de pijn delen van het slavernijverleden van hun voorouders? Of geldt die slogan voor alle mensen die op welke manier dan ook gediscrimineerd worden? In hoeverre heb ik – als witte vrouw, maar met een niet-Nederlandse achtergrond en bijbehorende achter- en voornaam – recht van spreken als het gaat over (arbeids)discriminatie?
In het programma Ook hier van voormalig wijkagent Dwight van de Vijver, dat onlangs dagelijks op de televisie te zien was en waarin allerlei mensen over hun ervaringen met alledaags racisme vertelden, hoorde ik tot mijn eigen verbazing dingen voorbijkomen die me maar al te bekend voorkwamen.
Discriminatie? Racisme? Ik? Ik, die wel eens schertsend heb gezegd dat wij Hongaren misschien wel de best geïntegreerde minderheidsgroep in Nederland zijn? Als ik vertel dat ik uit Hongarije kom, blijkt iedereen wel een Hongaarse buurman, collega of aangetrouwde tante te hebben gehad, maar als groep zijn wij niet als zodanig herkenbaar. Nu zijn Hongaren, wat een nationalist als Orbán de rest van de wereld ook wil laten geloven, allemaal zo verschillend als wat. Wat helemaal niet zo vreemd is voor een land dat historisch gezien zo veel verschillende etniciteiten kent.
&w=1200&q=75)
Aangepast
Hoe dan ook: ik val in Nederland qua uiterlijk niet direct op, hoogstens ben ik een stuk kleiner van stuk en donkerder dan de gemiddelde Nederlander. Ik spreek, al ben ik pas op mijn dertiende naar Nederland gekomen, accentloos Nederlands: de taal waarin ik ondertussen het makkelijkst schrijf. Ik kook andijviestamppot, ben, zeker voor iemand die is opgegroeid in een land zonder zee, dol op de Waddeneilanden en de Noordzeekust, heb mijn kinderen destijds Jip en Janneke voorgelezen en knutselde met frisse tegenzin surprises in elkaar voor hun Sinterklaasfeestjes op school. Ik ben, kortom, zo’n typische, aangepaste Nieuwe Nederlander, al zul je dat niet zo snel aan me zien of horen.
Wat maakt mij dan toch ‘anders’? En waarom emotioneert het mij in hevige mate wanneer mensen, zelfs vrienden van het eerste uur, mij niet als ‘anders’ zien? Willen zien? Moet ik dat als compliment beschouwen? Of juist als ontkenning van mijn bestaansrecht, of beter gezegd: van mijn identiteit?
Zo vertelde een vriendin, één van mijn oudste vriendinnen in Nederland, onlangs nog dat ze er indertijd helemaal niet bij had stilgestaan dat ik ‘anders’ was. Een andere vriendin reageerde, toen ik me een keer liet ontvallen dat ik me niet echt Nederlander voelde, daarop zelfs met: ‘Hoezo, je bent toch Nederlands staatsburger? En je woont al zo lang in Nederland?’ Een pijnlijke opmerking die me behoorlijk onderuit haalde. Ik ben geboren in Hongarije, het land waaruit ik op mijn dertiende ben weggerukt. Mijn familie woont er en mijn wortels liggen er. Waarom moet ik me verantwoorden voor waar ik vandaan kom? Voor wie ik ben? En dat was nog een vriendin…
Geen woord Nederlands
Wij kwamen in 1977 naar Nederland. Opgegroeid in miljoenenstad Boedapest kwam ik aanvankelijk terecht in een klein gehucht op het Brabantse platteland en later in ‘moderne industriestad’ Tilburg. Op dag drie moest ik naar school, zonder dat ik ook maar één woord Nederlands sprak. Ik leerde de taal al doende, zonder formeel les te hebben gehad. Een half jaar later mocht ik naar de middelbare school, zonder aan de CITO-toetsen te hebben deelgenomen, aangezien ik het Nederlands nog niet machtig was. Op mijn eerste rapport scoorde ik, op geschiedenis en godsdienst na, allemaal voldoendes, voor Frans zelfs een tien. En weer een half jaar later mocht ik naar het gymnasium.
Ik heb me, net als alle andere nieuwkomers, moeten invechten in de Nederlandse samenleving. Zonder geld of kruiwagens, zonder dat mijn moeder – noch mijn vader, die eerder naar het Westen was gevlucht en in een ander land woonde – me daarbij van steun kon zijn. Ook zij kende immers de weg niet in Nederland en ze had zo haar eigen sores.
Oostblokmeisje
Maar terug naar de vraag: heb ik zelf te maken (gehad) met discriminatie? Ja en nee. Niet in de strikte zin van het woord. Nee, ik ben niet uitgemaakt voor aap of spleetoog. Nee, ik heb geen verwensingen naar mijn hoofd geslingerd gekregen als ‘ga terug naar je eigen land’. Niet dat zoiets, zeker toen, terwijl het IJzeren Gordijn Europa nog in tweeën splitste, überhaupt mogelijk zou zijn geweest.
Voordat de meeste mensen Hongarije destijds op de kaart konden aanwijzen, moesten ze wel even zoeken, en verwarden ze het nog weleens met Bulgarije, terwijl ook Boedapest, Boekarest en Belgrado vaak door elkaar werden gehaald. Dat was vóórdat Boedapest na de val van de Muur in rap tempo uitgroeide tot één van de favoriete citytrip-bestemmingen van Europa, maar ook vóórdat de misstanden onder de regering Orbán dagelijks het nieuws zouden halen. Het heette toen allemaal Oostblok. En ik, ik was dat Oostblokmeisje met die rare Oostblok-kleren.
Tekst gaat door onder de banner
Blijf jezelf ontwikkelen door thuis online te leren
Ook vanuit huis kun jij je nog steeds blijven ontwikkelen met thuisstudies, e-learnings en virtuele online klassen. En voor wie de smaak echt te pakken heeft, hebben we abonnementen waarmee je onbeperkt online kunt leren.
Pijnlijk
Het was een eenzame tijd, waarin ik al lang blij was als mensen überhaupt belangstelling toonden voor mijn achtergrond. In die zin snap ik ook niet dat andere ‘Nederlanders met een migratie-achtergrond’ boos worden wanneer zij de vraag krijgen gesteld waar ze vandaan komen. Natuurlijk begrijp ik dat zoiets als pijnlijk kan worden ervaren als je voorouders al sinds generaties in Nederland wonen, zeker wanneer die vraag een negatieve bijklank heeft. Maar ikzelf vind het fijn als mensen mij die vraag stellen, zeker wanneer die vraag voortkomt uit oprechte belangstelling. Je persoonlijke geschiedenis en die van je voorvaderen bepalen immers wie je bent. Of je het leuk vindt of niet.
Zo kreeg ik van een ex-geliefde ooit het verwijt dat ik zou koketteren met mijn Joods-zijn. Ik was immers ‘slechts’ voor een kwart Joods. En dan nog niet eens van moeders kant, waardoor ik officieel niet eens voor Joods doorga. Hoe dan ook, die opmerking heb ik als zeer pijnlijk en kwetsend ervaren. Alsof ik me iets toe-eigende waar ik geen recht op had. Het verlies van het grootste deel van mijn familie, het leed van mijn opa en de invloed die dat alles op mijn moeders leven en indirect op het mijne heeft gehad, werden daarmee met één klap weggevaagd.
Spiegelbeeld
Maar heb ik nu zelf echt geleden onder discriminatie? Het is maar hoe je het bekijkt. Heb ik, om het in de werksfeer te houden, wel eens last gehad van arbeidsdiscriminatie? Niet dat ik weet, althans niet in de zin van discriminerende opmerkingen of directe uitsluiting op grond van mijn identiteit.
Wel heb ik voor mij gevoel altijd aan de zijlijn gestaan. Zo ben ik op de (zo goed als) all male witte redactie waar mijn journalistieke carrière ooit begon altijd een buitenbeentje gebleven. Op de enkele voormalige stagiair na waren de meeste redactieleden via allerlei kruiwagens binnengekomen. Ik weet nog dat ik op dag 1 op de redactie werd rondgeleid. Ik voelde de blikken op me gericht: die hoort hier niet bij. Dat gevoel is, hoewel ik het met menig collega uitstekend kon vinden, ook nooit weggegaan.
Het is bekend uit sociaalwetenschappelijk onderzoek dat mensen bij sollicitatierondes doorgaans zullen kiezen voor iemand met een vergelijkbaar uiterlijk, achtergrond en interesses. Dat ze, kortom, eerder voor Mark zullen kiezen dan voor Mohammed, zoals het SCP al in 2010 concludeerde. Of voor Elisabeth – zoals ik vrij vertaald in het Nederlands heet – dan voor Erzsó. Al zullen ze dat nooit openlijk toegeven.
Verkeerde naam
Hoe vaak heb ik in het verleden wel niet een reactie op een sollicitatiebrief ontvangen die begon met ‘Geachte heer (!) Alföldy, we hebben uw sollicitatiebrief aandachtig (!) gelezen, maar helaas moeten we u meedelen dat...’ Heer? En vervolgens beweren dat ze mijn brief ‘aandachtig’ hebben gelezen? Terwijl ik zowel op mijn cv als boven aan mijn motivatiebrief steevast mijn naam vermeld in combinatie met ‘mevr. Drs.’? Zodat over zowel mijn geslacht als opleidingsniveau geen enkel misverstand kan bestaan?
Is er in zo’n geval sprake van – bewuste dan wel onbewuste – arbeidsdiscriminatie? En verdwijnt mijn brief na het zien van mijn naam ongelezen in de prullenbak van de desbetreffende personeelsfunctionaris? Ik kan het, net als al die sollicitanten van Turkse of Marokkaanse afkomst, of met een andere, niet-Nederlands klinkende naam, niet aantonen.
Ironisch genoeg kan mijn naam zich echter ook omgekeerd tegen mij keren. Zo ben ik nog niet zo lang geleden op een witte redactie op gesprek geweest, en werd ik er onthaald met: ‘oh, we dachten dat je Marokkaanse was’. Wat ze met het oog op hun diversiteitsstreven wellicht een stuk interessanter hadden gevonden.
Verbinding zoeken
Ik wil mijn ervaringen van uitsluiting en onbegrip niet vergelijken met het leed dat verscholen gaat achter de BLM beweging. Black lives dó matter. Maar zwart en wit: daar zit nog een hoop grijs tussen. Discriminatie is een diepgeworteld probleem met vele verschijningsvormen, dat niet een-twee-drie uit de wereld zal zijn.
Dat divers samengestelde teams innovatiever en creatiever zijn, en na aanvankelijke strubbelingen beter presteren, is ondertussen wel bekend. Diversiteit zal zich, kortom, indien goed aangepakt, uiteindelijk wel terugbetalen. Nog los van het belang van de vertegenwoordiging van minderheidsgroepen binnen maatschappelijke organisaties als de politie en de rechtspraak.
Hoe dan ook is zoeken naar verbinding in plaats van polarisatie, waarin ruimte is ingebouwd voor respect voor elkaars identiteit en men elkaar niet in allerlei hokjes wil stoppen, een eerste stap in de goede richting. Zo zei een collega-leidinggevende, Nederlandse maar met een hoop internationale ervaring, eens tegen mij: ‘Erzsó, jij zit altijd zo vol verhalen.’ Waar zij overigens graag naar wilde luisteren. Net als ik naar de hare.
:focal(803x1135:804x1136)&w=256&q=75)