:focal(1032x531:1033x532)&w=3840&q=75)
Het regenboogplafond doorbreken: lessen van 15 lhbti+-leiders
Lhbti+-personen ervaren allerlei, doorgaans subtiele vormen van discriminatie. In het boek ‘Door het regenboogplafond: hoe je als lhbti+-persoon succesvol bent op de werkvloer’ van Pim Blom (31) delen 15 CEO’s, ondernemers en andere leidinggevenden hun verhaal, ervaringen en tips.
‘Ik had tijdens mijn jeugd helemaal geen rolmodellen aan wie ik me kon spiegelen’, vertelt Blom. ‘De enige homo’s die ik kende waren mensen die ik op televisie zag. Ze waren flamboyant, modebewust, grappig. Maar nooit een leider of CEO.’
Hoewel exacte cijfers hierover ontbreken, wordt het aandeel van lhbti+-personen in de top van beursgenoteerde bedrijven geschat op een kleine 1 procent. Dit terwijl volgens het CBS 18 procent van de Nederlanders tot de lhbti+ gemeenschap behoort.
Buitenbeentjes
Een opvallende discrepantie waarvoor Blom in zijn boek een verklaring zoekt aan de hand van de persoonlijke verhalen van een vijftiental lhbti+-ers op leiderschapsposities, onder wie Abdeluheb Choho, Directeur-generaal bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Jacqueline van den Ende (Carbon Equity), Sander van ’t Noordende (Randstad), Pallas Agterbeg (Alliander) en Yuli Kim (Workplace Pride).
Blom koos daarbij bewust niet alleen voor homoseksuele mannen. ‘Dat zou wel voor de hand liggend zijn geweest, omdat dat het beste past bij mijn eigen ervaringswereld. Maar ik wilde het thema van mijn boek breder trekken. Vandaar dat er ook leiders in aan het woord komen die zich als non-binair, trans, lesbisch of biseksueel identificeren. Ik heb daarbij gefocust op de overeenkomsten in plaats van de verschillen. Met als gezamenlijke noemer: het zijn allemaal mensen die op jonge leeftijd ontdekten dat ze niet voldeden aan de norm, maar ondertussen tot succesvolle leiders zijn uitgegroeid.’
Voldoen aan de norm
Hoewel hij, in tegenstelling tot sommige van zijn geïnterviewden, zelf uit een ruimdenkend gezin komt, voelde ook Blom zich als kind anders dan de rest. ‘Ik had meer vriendinnen dan vrienden, verkleedde me graag met kleding uit mijn moeders kledingkast en ging liever paardrijden dan voetballen.’
Daarbij werd hij voortdurend geconfronteerd met de maatschappelijke norm. ‘Dat begint al op het schoolplein, waar homo als scheldwoord wordt gebruikt. En later, als je die berichten leest over straatintimidatie en over homo’s die in elkaar worden geslagen. Dan krijg je vanzelf het idee: ik voldoe niet aan de norm. Sommige geïnterviewden hebben hier meer last van gehad dan anderen, in de zin dat ze ook niet door hun omgeving zijn geaccepteerd. Wat zelfs tot een breuk met hun familie heeft geleid.’
Hoewel het met directe uitingen van discriminatie op de werkvloer bij de geïnterviewden in het boek wel mee bleek te vallen, zijn meer subtiele vormen van discriminatie er aan de orde van de dag. Zo kreeg Blom zelf ooit een van een collega te horen: ‘”Maar je ziet er helemaal niet gay uit.” Misschien is zo’n opmerking wel goed bedoeld. Maar daarmee plaats je iemand wel buiten de groep.’
Zo vertelt in het boek één van de geïnterviewden, Jacqueline van den Ende, die een relatie heeft met een vrouw, in het dagelijks leven nogal eens opmerkingen naar haar hoofd geslingerd te krijgen van mannen die dat een spannend idee vinden. Ze willen haar wel even ‘hetero maken’, of maken zinspelingen over een triootje. Blom: ‘Hoewel zulke dingen op de Nederlandse werkvloer niet zo snel gebeuren, voelt ze dat mannen anders naar haar kijken als ze dit stuk van haar privéleven deelt.’
Maar hoe vertel je op de werkvloer dat je lhbti+ bent?
Blom: Om te beginnen: veel lhbti+-mensen willen dat helemaal niet per se vertellen. Bij een coming-out op de werkvloer is bovendien doorgaans geen sprake van een van tevoren gepland moment, maar is het een reactie op het beeld dat de ander van je heeft.’
Zo moet Blom ook als homoseksuele man, wanneer een collega naar zijn ‘vriendin’ informeert, vervolgens besluiten: ga ik de ander corrigeren dat ik een man heb of niet? ‘Heteroseksualiteit wordt nog steeds gezien als de norm. En alles wat daarbuiten valt roept vragen of aannames op. Dat is iets waar je als lhbti+-persoon voortdurend bewust van bent.’
Reden genoeg dus om je seksuele oriëntatie of genderidentiteit niet met collega’s te willen delen. En vertellen de geïnterviewden in het boek dan ook een vaak schrijnend verhaal over leven in twee werelden: werk en privé.
Zelfacceptatie en coming out
Maar die twee delen van je bestaan kunstmatig uit elkaar houden kost bergen energie, weet ook Blom uit ervaring. Of, zoals Pallas Agterberg zegt: ‘Jarenlang voelde ik me als een zombie in mijn eigen leven. Maar hoe kun je leidinggeven aan anderen als je jezelf niet accepteert?’
Agterberg koos uiteindelijk voor een duidelijke, directe communicatie over haar transitie naar vrouw. Vlak voordat ze in transitie ging bracht ze – in nauwe samenspraak met de Raad van Bestuur - een intern bericht uit. Met de boodschap: iedereen krijgt drie dagen de tijd om vragen te stellen. Daarna nam ze een maand verlof, en daarna was het klaar. En was het vervolgens business as usual. Met het verschil dat ze voortaan als vrouw door het leven ging.
Zichtbaarheid vergroten
Organisaties die de ruimte bieden aan meerdere perspectieven zijn zakelijk uiteindelijk meer succesvol, weten we uit onderzoek van McKinsey. Maar daarnaast vertonen personen op een leiderschapspositie met een lhbti+-achtergrond doorgaans meer empathie, zo laten de voorbeelden uit Bloms boek zien. ‘Ze durven zich, door wat ze zelf hebben meegemaakt, kwetsbaar op te stellen. Dit stelt ze ook in gelegenheid hun medewerkers de ruimte te bieden voor hun anders-zijn.’
Met zijn boek hoopt Blom de zichtbaarheid van lhbti+-leiders te vergroten. Immers: hoe meer er sprake is van representatie, hoe vanzelfsprekender het wordt om een andere seksuele oriëntatie of genderidentiteit te hebben die afwijkt van de norm. Tot slot biedt Blom met zijn boek een waaier aan lhbti+ rolmodellen. Precies wat hij en andere kinderen zoals hij vroeger hebben gemist.
:focal(803x1135:804x1136)&w=256&q=75)