Analogieën
Verbaal

Deze subtest meet je vermogen om relaties tussen woorden te ontdekken en die relaties toe te passen op nieuwe woorden. Het gaat niet zozeer om je woordenschat, maar om het vermogen betekeniselementen van woorden te ontdekken, met elkaar te vergelijken en te combineren.

Kies uit de alternatieven het woordpaar waarin dezelfde relatie bestaat als tussen het gegeven woordpaar. Bijvoorbeeld het gegeven woordpaar is 'moeder - kind'. De woorden in het woordpaar 'koe - kalf' drukken dezelfde relatie uit als die in het woordpaar 'moeder - kind'. Stel dat je een bepaalde relatie tussen twee woorden hebt gevonden. Het is dan belangrijk te controleren of slechts één van de alternatieven aan de relatie beantwoordt. Kies het alternatief dat de relatie tussen de paren van woorden het meest exact definieert.

Er volgt één oefenvraag, daarna begint de test.
Oefenvraag
mens - huis
 
A. bloem - vaas
B. vos - hol
C. kanarie - kooi
D. kip - ei

oplossing