WIA vervangt WAO

Auteur: Diana Simons | 15-12-2005 | Share/Bookmark Mail dit artikel

M Met ingang van 1 januari 2006 treedt de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in werking. Deze wet vervangt de WAO en wil werknemers die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn weer aan het werk krijgen.



Voor wie geldt deze wet?

De WIA geldt voor werknemers die na 1 januari 2004 ziek zijn geworden. Voor werknemers die vóór 1 januari 2004 al ziek waren en inmiddels een WAO-uitkering ontvangen verandert er niets. Zij blijven in de WAO.

 

De WIA bestaat uit twee regelingen:
  • de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en
  • de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).
 
Wanneer een werknemer 104 weken ziek is, heeft hij geen recht meer op loon van zijn werkgever. Het UWV zal dan beoordelen of de werknemer arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA.
Deze wachttijd van 104 weken kan voor werknemers met een vast dienstverband worden verlengd als:
  • de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om de werknemer te reïntegreren in het arbeidsproces. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) beoordeelt of hier sprake van is;
  • de werkgever en werknemer gezamenlijk bij het UWV een aanvraag hebben ingediend tot verlenging van de wachttijd voor de WIA, zodat de werknemer meer tijd heeft om te reïntegreren.

Beoordeling arbeidsongeschiktheid

Bij de arbeidsongeschiktheidskeuring zal de verzekeringsarts van het UWV eerst de medische situatie van de werknemer en zijn belastbaarheid beoordelen. De verzekeringsarts bekijkt dan wat de gezondheidsklachten zijn van de werknemer en of er nog mogelijkheden zijn voor de werknemer om te werken.
 
Aan de hand van de zogeheten functionele mogelijkhedenlijst stelt de verzekeringsarts de beperkingen vast van de werknemer. Deze lijst bestaat uit zes beoordelingspunten:
  • persoonlijk functioneren,
  • sociaal functioneren,
  • aanpassing aan fysieke omgevingseisen (de werkomgeving),
  • dynamisch handelen (bewegen),
  • statische houdingen en
  • werktijden.
 
Als de verzekeringsarts vindt dat er geen mogelijkheden zijn voor de werknemer om te werken, dan kan de werknemer een beroep doen op de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten.
 
Ziet de verzekeringsarts nog wel mogelijkheden voor de werknemer om te werken dan wordt de werknemer doorgestuurd naar de arbeidsdeskundige. Deze zal de door de verzekeringsarts opgestelde functionele mogelijkhedenlijst matchen met de verschillende functies op de arbeidsmarkt.
 
Het UWV hanteert hiervoor het CBBS-systeem, waarin circa 7500 functiebeschrijvingen zijn opgenomen. Per functie moeten minimaal drie arbeidsplaatsen zijn, om te kunnen worden opgenomen in het systeem. Dat wil zeggen dat de functie voldoende moet voorkomen op de arbeidsmarkt.

Onderzoek te vervullen functies

De arbeidsdeskundige zal onderzoeken welke functies de werknemer, gelet op zijn beperkingen, nog kan vervullen. Hij zal ook aan de hand van een inkomensvergelijking uitrekenen in welke mate de werknemer arbeidsongeschikt is.

Om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen, berekent de arbeidsdeskundige eerst het verschil tussen het oude loon (het maatmaninkomen) en het loon dat de werknemer nog zou kunnen verdienen (de restverdiencapaciteit) met andere functies. Het verschil tussen het maatmaninkomen en de restverdiencapaciteit moet door het maatmaninkomen worden gedeeld.

De berekening luidt als volgt:
Maatmaninkomen - restverdiencapaciteit gedeeld door het maatmaninkomen x 100% = mate van arbeidsongeschiktheid.

Voorbeeld
Stel dat een werknemer werkt als accountmanager en hij verdient op jaarbasis ? 45.000,-. Hij raakt arbeidsongeschikt en de arbeidsdeskundige vindt dat de werknemer andere functies kan vervullen, te weten: loketbediende, administratief medewerker en hovenier. Bij deze functie horen de volgende lonen: loketbediende ? 22.000, administratief medewerker ? 20.000, hovenier ? 17.000.

De restverdiencapaciteit van de werknemer wordt vastgesteld op ? 20.000 (de functie is het midden wat betreft loon). Dat levert de volgende berekening op:
? 45000- 20.000 = 25.000 gedeeld door 45.000 x 100% = 55% mate van arbeidsongeschiktheid.

Loonverlies

Minder dan 35 procent
Als een werknemer minder dan 35procent arbeidsongeschikt is, dan heeft hij geen recht op een uitkering op grond van de WIA. De werknemer zal met de werkgever moeten bekijken of werkhervatting mogelijk is binnen het bedrijf, óf mogelijk bij een ander bedrijf.

Meer dan 35 procent, maar minder dan 80 procent
Ligt de mate van arbeidsongeschiktheid tussen de 35 en 80 procent, dan kan de werknemer een beroep doen op de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)

 

Meer informatie:
http://www.werkennaarvermogen.nl/

Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek
'Ziekte, verlof en vakantie'

Reageer, print of deel dit artikel

  • Print
  • Share/Bookmark Mail dit artikel

Mr. Diana Simons

Diana Simons is advocaat in Amsterdam. Zij behandelt vooral arbeidszaken, sociale-verzekeringszaken en zaken op het gebied van verbintenissenrecht. Daarnaast schrijft zij over deze thema's, bijvoorbeeld voor het vakblad Reïntegratie. Voor Intermediair beantwoordt zij vragen over alle juridische zaken waar werknemers mee te maken (kunnen) krijgen. diana

Zoek in vacatures voor hoogopgeleiden: