Waarom leugendetectoren niet werken
Auteur: Chris Sprangers
|
28-10-2008
|
Mail dit artikel
Pinocchio's neus werd iedere keer een stukje langer als hij een leugen vertelde. Wie leugens wil detecteren, kan maar beter zo'n neus bij de hand hebben. Want machines die hetzelfde pretenderen te kunnen, liegen nogal.
Als bij Robert ten Brink op RTL-4 het 'Uur van de Waarheid' slaat, staat de leugen pal om de hoek. Vermomd als leugendetector. Opzet van dit televisieprogramma is kandidaten live naar waarheid vragen te laten beantwoorden, die in toenemende mate aanwezige vrienden en familieleden in verlegenheid kunnen brengen - vragen van het type 'Zou je liever met de zus van je vrouw naar bed willen dan met je vrouw zelf?' en 'Vind je je schoonfamilie eigenlijk beneden je niveau?' Verdeeld over een aantal afleveringen worden de kandidaat 21 vragen voorgelegd, uit een pool van vijftig vragen die de kandidaat tevoren heeft beantwoord terwijl hij/zij aan een leugendetector lag. De leugendetector moet bepalen welke antwoorden oprecht zijn en welke gelogen.
Ten Brinks televisieshow is niet de enige die van de leugendetector gebruik maakt. In de VS, maar ook in andere landen, zijn tal van overheidsinstanties en bedrijven die sollicitanten screenen met een leugendetector - je weet immers maar nooit wie je in huis haalt. En ook de politie maakt in veel landen gretig van de leugendetector gebruik.
Liegen geeft stress
Toch is na een onderzoek met de leugendetector nog steeds niet echt zeker wat de waarheid is. En dat ligt niet zozeer aan de polygraaf, het apparaat waarmee men de leugen probeert op te sporen, als wel aan de manier waarop men de polygraaf gebruikt. De polygraaf meet een aantal fysiologische waarden - hartslag, bloeddruk, huidweerstand en ademhaling - waarvan men aanneemt dat ze omhoog gaan als iemand liegt: een leugen vertellen gaat gepaard met spanning, nervositeit; en als je de zenuwen hebt, gaat je hart wat sneller kloppen, ga je iets sneller ademhalen, gaat je bloeddruk omhoog en ga je zweten. En dat kun je meten, zo luidt de redenering.
Alleen op het eerste gezicht is dat een voor de hand liggend één-tweetje: liegen maakt gespannen, dus als je bij iemand spanning waarneemt, liegt hij. Niet de leugen zelf wordt derhalve gedetecteerd, maar een emotionele reactie die wordt geacht daarmee samen te hangen.
Controlevragentechniek is misleidend
De polygraaf wordt bij twee verschillende typen verhoor gebruikt. De eerste vorm is die met controlevragen; hij wordt al sinds de jaren twintig van de vorige eeuw gebruikt. De verdachte wordt vóór het verhoor - we hebben het nu over politieverhoor - uitgebreid geïnterviewd. Op grond van dat interview worden controlevragen opgesteld die een emotionele reactie uitlokken, maar niets met het misdrijf van doen hebben; maar wel vragen waarop de meeste mensen zullen liegen - 'Heeft u wel eens geld gepikt?' Daarnaast worden vragen gesteld aangaande het misdrijf - 'Heeft u op 3 september X vermoord?'
Men gaat er dan van uit dat een onschuldige vooral heftig zal reageren op de controlevragen, omdat hij een zo betrouwbaar mogelijke indruk wil maken, en dat de schuldige heftiger reageert op de vraag die het misdrijf betreft.
Niet stress, maar herkenning
De tweede methode is die van de schuldigekennistechniek. Het was eind jaren vijftig dat de Amerikaanse psycholoog David Lykken opmerkte dat de met de polygraaf gemeten spanning ook zou kunnen samenhangen met herkenning, in plaats van met leugenachtigheid. Hij stelde het 'guilty knowledge'-paradigma voor: de verdachte krijgt een vraag voorgelegd aangaande het misdrijf, waarop alleen de dader het antwoord kan weten, zoals: is het slachtoffer vermoord met een bijl, een mes, een zeis of een hamer? Voor onschuldigen zijn alle objecten hetzelfde, en zal er dus geen verschil optreden op de polygraaf; alleen voor een schuldige is een van die objecten anders dan de drie andere, wat tot een afwijkende reactie zal leiden.
In een van zijn eerste experimenten wist Lykken met deze methode van vijftig proefpersonen in negentig procent van de gevallen vast te stellen of ze hadden gelogen of de waarheid hadden verteld. Meer onderzoek sindsdien heeft de teller van ontmaskerde schuldigen op ongeveer tachtig procent gebracht.
Pseudo-wetenschap
Op de toepasbaarheid van beide methodes valt wel het een en ander af te dingen, maar op die met de controlevragen verreweg het meest. 'De klassieke methode met de controlevragen is pseudo-wetenschap', zegt psycholoog Ewout Meijer, die dezer dagen promoveert op onderzoek naar leugendetectie.
Aangezien de vragen altijd door een ondervrager worden gesteld, heeft ook diens gedrag invloed op de reactie. En in alle gevallen geldt dat de betreffende reactie niet specifiek is voor liegen, spanning, of herkenning: ook andere emoties kunnen vergelijkbare fysiologische responses oproepen.
Onschuldig gezeten
Voor de methode met de controlevragen geldt bovendien dat ook onschuldigen gespannen kunnen zijn. Het is heel goed denkbaar dat een onschuldige proefpersoon de misdaadgerelateerde vraag meteen herkent voor wat hij is, daardoor in de stress schiet en de reactie van een schuldige vertoont - waarmee hij de verdenking van schuld op zich laadt. Naar schatting loopt de kans dat aldus een onschuldige als leugenaar uit de test komt in de tientallen procenten - onaanvaardbaar groot derhalve.
Vraag maar aan Richard Smart uit Michigan, die er door zijn vijftienjarige stiefdochter van werd beschuldigd haar verkracht te hebben. Smart liet zich verhoren aan de polygraaf en 'viel door de mand'. De stiefdochter, later gediagnosticeerd als een klassieke psychopaat, werd zonder verder onderzoek geloofd en Smart verdween voor vijftien jaar achter de tralies.
Nadat hij vijf jaar had gezeten, dook er nieuw en sluitend bewijs van zijn onschuld op en werd hij alsnog vrijgesproken. De stiefdochter bleek al vóór de hele affaire aan een vriendje te hebben verteld dat ze wel een manier wist om van haar strenge stiefvader af te komen.
Intieme kennis
Aan de methode van de schuldigekennistechniek kleeft het nadeel dat het absoluut vast moet staan dat een onschuldige ondervraagde inderdaad geen kennis kan hebben van de feiten waarover hij wordt ondervraagd en dat een schuldige die wel heeft. Maar geeft een verdachte consequent een reactie op vragen die intieme kennis van het misdrijf vergen, dan is het heel aannemelijk dat hij er iets mee te maken heeft.
Groot voordeel is bovendien dat de kans heel erg klein is dat er ten onrechte een onschuldige schuldig wordt bevonden. Maar daar staat dan weer tegenover dat de kans dat een schuldige de dans ontspringt, groter is. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een dader tijdens het delict onder invloed was van een middel - zeg veel drank - dat voorkomen heeft dat hij de daderkennis heeft opgeslagen. Afwezigheid van die kennis betekent dan nog geen onschuld.
Dubbelspion
En dan is er jegens beide vormen nog een bezwaar: je kunt jezelf trainen fysiologische reacties op te roepen. Een veel geciteerd voorbeeld is dat van CIA-agent Aldrich Ames, die stiekem voor de Sov-jetunie spioneerde. Tot tweemaal toe werd Ames met een leugendetector verhoord, tot tweemaal toe kwam hij glansrijk door de test heen. Later zou hij zeggen dat de detector met vrij makkelijk te leren trucjes te misleiden is. Anderen houden het erop dat Ames een sociopaat was - een stoornis die mensen veel minder responsief maakt.
Toen dook begin jaren tachtig de mri-scanner op, een bak van een apparaat dat inmiddels zover is doorontwikkeld dat er beelden mee kunnen worden gemaakt van de hersenen in actie. Kort en goed komt het erop neer dat de 'functional Magnetic Resonance Imager' (fMRI) in real time laat zien welke hersendelen actief zijn.
Het eerste onderzoek dat aan het gebruik van de fMRI als leugendetector was gerelateerd, werd uitgevoerd door de Britse psychiater Sean Spence, in 2001. Hij legde proefpersonen alledaagse vragen voor - à la 'Ik heb gisteravond mijn tanden gepoetst' - en liet ze die eenmaal met 'ja' en eenmaal met 'nee' beantwoorden. Het bleek dat bij het gelogen antwoord - en alleen dan - delen van de hersenen oplichtten die te maken hebben met wat psychologen 'inhibitie' noemen: iets tegenhouden, onderdrukken; en met het beheersen van gedachten. 'Normaal gesproken vertellen mensen kennelijk de waarheid', concludeerde Spence, 'En als ze liegen ontstaat er extra hersenactiviteit om de waarheid te onderdrukken.'
In een klein aantal daaropvolgende onderzoeken werd steeds hetzelfde paradigma gevolgd: studenten fungeerden als proefpersoon en kregen relatief gevoelsneutrale vragen voorgelegd, waarop ze afwisselend naar waarheid antwoordden en logen. Vrij consistent werd hetzelfde activatiepatroon teruggevonden.
De leugen betrapt
Bij leugendetectie per fMRI wordt er niet gekeken naar een emotionele reactie die met liegen zou samenhangen, maar wordt de vorming van de leugen zelf waargenomen. Zeggen althans de liefhebbers van deze techniek.
Wat evenwel bij de polygraaf gold voor spanning - bij liegen komt vaak spanning kijken, maar niet alle spanning duidt op liegen - geldt hier ook voor inhibitie, schreven eerder dit jaar hoogleraar Harald Merckelbach en zijn promovendus Ewout Meijer in een artikel in een Justitiële Verkenning van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Justitie: 'Als het liegen gepaard gaat met inhibitie, betekent dat nog niet dat het registreren van inhibitie - ook al gebeurt het met een imponerend apparaat als een fMRI - op leugens duidt.' De betreffende hersengebieden lichten ook op bij andere activiteiten dan liegen. Meijer: 'Er is in de hersenen nu eenmaal niet zoiets als een leugencentrum.'
En zo zijn er nog wel meer bezwaren te opperen. De studenten die als proefpersoon optraden, en die bovendien gescreend waren op drugsgebruik en medische en psychologische problemen, vormen een andere populatie dan criminelen. Daarnaast kan het heel wat uitmaken of je in een laboratoriumsetting over onschuldige dingen wordt ondervraagd - waarbij je bovendien nog expliciet wordt verzocht te liegen - of verdacht van een ernstig misdrijf in een justitiële setting aan de tand wordt gevoeld, met het risico dat je langdurig wordt opgesloten als je door de mand valt. 'Op verzoek een onjuist antwoord geven is heel wat anders dan liegen', aldus neuroloog Nancy Kanwisher van MIT. 'In het echte leven staat veel meer op het spel. Iemand die van een misdrijf wordt verdacht, schuldig of niet, krijgt daarvan de zenuwen, en dat beïnvloedt gegevens.'
Er is bovendien gebleken, uit onderzoek op heel andere terreinen, dat mensen in staat zijn de activiteit in specifieke hersendelen te beïnvloeden. Het is denkbaar dat dit in het geval van leugendetectie ook is te leren.
Commerciële leugendetectoren
Desondanks lijkt de leugendetectie per fMRI een toekomst te hebben. In het eerder geciteerde artikel in de Justitiële Verkenningen concluderen de auteurs: 'Deze onderzoekslijn (van leugendetectie met fMRI; cs) geeft een schat aan informatie over de cognitieve processen die bij liegen betrokken zijn. Aldus geeft de fMRI-techniek belangrijke nieuwe impulsen aan de theorievorming. (...) De tot nu toe uitgevoerde studies geven echter weinig houvast om de fMRI-techniek bij echte verdachten aan te wenden. Praktische toepassing van de nieuwe technologie zou hoogst prematuur zijn.'
En dat geldt dan ook voor de twee Amerikaanse bedrijven die zich op de particuliere leugendetectiemarkt aan het storten zijn: wie aangeklaagd van een misdrijf onomstotelijk zijn onschuld wil laten vaststellen, kan tegen gerede betaling bij die bedrijven de MRI-scanner in en zich laten uithoren. Maar als de directeur van een van die twee bedrijven - NoLie MRI - beweert dat binnenkort een graad van accuratesse van 99 procent zal worden gehaald, liegt hij.
Fotografie jantien de bood
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'Weekblad archief'
Reageer, print of deel dit artikel
|