Geluidshinder frustreert stadsvogels
Wing tones
14-05-2008
|
Mail dit artikel
Vogels in de steden halen alles uit de kast om zichzelf nog verstaanbaar te kunnen maken.
De ochtend gloort in de stad. De kortdurende stilte van de nacht maakt plaats voor het donkere gegrom van auto's en vrachtwagens. Eén geluid slechts straalt door afwezigheid: het vertrouwde ochtendgezang met zijn betoverende melodieën, gepiep en gefluit, is verdwenen. Daarvoor in de plaats is een vreemd uitgewrongen deuntje gekomen - staccato, met veel hoge tonen, oorverdovend soms. Ziedaar het geluid van de stad in de toekomst.
Dit is geen beeld uit een gruwel-sciencefictionroman. Het is wat wetenschappers voorspellen die hebben bestudeerd hoe geluidshinder het leven van vogels in de stad beïnvloedt. Het toenemende lawaai in steden en op wegen mag voor ons dan hinderlijk zijn, voor heel veel vogels kan het het verschil betekenen tussen leven en dood. Achtergrondgeluid kan het geluid van naderende roofdieren maskeren, en het geluid van waarschuwende kreten. Het kan ook de voorplantingsmogelijkheden van individuele vogels frustreren door het gezang te overstemmen waarmee mannetjes vrouwtjes lokken en hun territorium afbakenen.
De impact van al die herrie begint zich nu af te tekenen. Sommige vogelsoorten kunnen zichzelf niet meer verstaanbaar maken boven het toenemende lawaai en worden uit de stad verdreven. Andere veranderen de manier waarop ze communiceren. Zo zouden er op de lange duur wel eens nieuwe soorten kunnen ontstaan. Als de geluidshinder blijft toenemen, lijkt het onvermijdelijk dat het leven van stadsvogels ingrijpend zal veranderen.
Je kunt de veranderingen nu al horen, als je weet waar je op moet letten. Eén duidelijk teken is als je vogels onverwacht hoort zingen buiten hun traditionele ochtend- en avondpieken. Op deze prime time-momenten is het geluid van wind en turbulentie het geringst, waardoor geluid verder draagt - als je tenminste geen spitsuurlawaai te overstemmen hebt.
Richard Fuller van de Universiteit van Sheffield heeft ontdekt dat sommige plaatselijke roodborstjes zijn opgehouden met hun traditionele ochtendlijke koorzang en 's nachts zijn gaan zingen, om maar helemaal van de herrie van overdag verlost te zijn. Aanvankelijk was die verschuiving toegeschreven aan de verwarrende effecten van lichtvervuiling, maar uit Fullers analyse blijkt dat de herrie van overdag een veel sterker effect heeft: in de delen van Sheffield waar vogels 's nachts zongen, was de herrie een orde van grootte luider dan in andere delen van de stad.
Het staat nog te bezien of 's nachts zingen een succesvolle manier is om met geluidsoverlast om te gaan. Maar er staan de vogels nog andere mogelijkheden open. Zo hebben nachtegalen, voor zover ze niet 's nachts zingen, voor een benadering gekozen die haaks lijkt te staan op de delicate melodieën die ze voorbrengen: ze zingen gewoon harder. Toen Henrik Brumm van de Universiteit van St. Andrews in Groot-Brittannië opnames maakte van nachtegalen die tussen vijf en tien uur 's ochtends zongen, merkte hij dat de vogels in Berlijn veertien decibel luider zongen dan hun familie in het bos, en wel geluidsniveaus van 95 decibel bereikten - een niveau waarbij je als mens naar je oordoppen grijpt. De luidheid van hun gezang hing samen met het niveau van het achtergrondgeluid: op de ochtenden van werkdagen zongen ze het luidst.
Aanpassingen in het moment van zingen of de luidheid van het gezang zijn redelijk voor de hand liggende oplossingen voor het probleem, maar sommige zangvogels hebben voor een wat subtielere benadering gekozen. Stadsherrie is vooral luid in de lage registers - tussen de 1 en 3 kilohertz. Door deze lage tonen te vermijden, maken vogels hun gezang beter hoorbaar. Merels, zanggorzen en roodmussen hebben zich allemaal op deze manier aangepast, maar de best bestudeerde beoefenaar is de koolmees.
Hans Slabbekoorn van de Universiteit Leiden analyseert al vijf jaar lang de manieren waarop koolmezen zich redden in lawaaiige steden. Hij merkte dat koolmezen die in de meer lawaaiige delen van Leiden woonden melodieën zongen met hogere minimumfrequenties dan die in rustiger delen van de stad. Toen hij de koolmezenpopulaties van tien grote steden bekeek, waaronder Londen, Parijs en Amsterdam, zag hij dat ze zonder uitzondering meer in de hogere frequentiegebieden zongen dan hun collega's in het bos; hun laagste frequentie lag gemiddeld tweehonderd hertz hoger, op zo'n 3500 hertz. Niet alleen zingen de stadskoolmezen in een hoger register, ze hebben ook de standaardloopjes van hun bosfamilie ingewisseld voor meer originele loopjes.
Het vermogen een ander lied te heffen is zeer waardevol in het toenemende stedelijke geroezemoes. In tegenstelling tot sommige vogelsoorten die hun hele zangrepertoire leren als ze nog in het nest zitten, passen koolmezen, zanggorzen en andere vogels gedurende hun leven regelmatig hun lied aan. Ze beschikken over veel meer liedjes dan ze nodig hebben en kiezen een melodie uit al naar gelang de context. Door bij te houden welke melodie het best werkt in een gegeven situatie, leren individuele vogels van hun ervaring en passen ze zich aan aan plaatselijke veranderingen. Succesvolle nieuwe zangstrategieën worden verspreid door jonge vogels die leren zingen door hun door de wol geverfde buren na te doen. Omgekeerd kunnen melodieën ook beter aangepast raken bij verstek: als jongere vogels de laag-frequente delen van het lied van hun leraren niet kunnen horen, leren ze waarschijnlijk nooit melodieën die die lage noten bevatten, waardoor die melodieën uiteindelijk uit het plaatselijke repertoire verdwijnen.
'Door dit vermogen om te schakelen kunnen ze zich in hun natuurlijke situatie makkelijker aanpassen', zegt Slabbekoorn. Bossen zijn lang niet overal even luid en de vogels die in lawaaiiger delen leven, zoals in de buurt van watervallen of stroomversnellingen in een rivier, zingen ook in hogere frequenties, net als de stadsvogels. Puur door toeval heeft hun flexibele manier van zingen hen in een goede positie gebracht om ook het kunstmatige, door mensen gegenereerde lawaai het hoofd te bieden.
Flexibiliteit in gedrag is wat de soorten die met de herrie weten om te gaan onderscheidt van de soorten die daar moeite mee hebben. Dat het stadsgewoel van relatief recente datum is, betekent dat de meeste vocale strategieën die stadsvogels toepassen waarschijnlijk aangeleerde responsen zijn en niet zozeer het gevolg van een evolutionaire ontwikkeling. Maar op de lange duur zullen er waarschijnlijk toch wel genetische veranderingen gaan optreden, door de rol die de zang speelt in overleving en voortplanting.
Het lied is vooral een seksuele trek, die van invloed is op de keuze die vrouwtjes maken voor een mannetje - en dus op het succes van dat mannetje. Als vrouwtjes het vermogen om akoestische overschaduwing te ontlopen gaan zien als een teken van kwaliteit van de potentiële partner, zullen ze het liefst paren met mannetjes die over dat vermogen beschikken, waarna de eigenschap door natuurlijke selectie zal worden doorgegeven en zich zal verspreiden. Daar komt nog bij dat dieren wier gehoor in staat is de zang van andere vogels op te pikken uit het stadse lawaai ook een selectief voordeel hebben, waardoor ze uiteindelijk een groter deel van de populatie zullen gaan uitmaken.
Als het zingen en horen maar ver genoeg uit elkaar gaan lopen, kunnen stadsvogels het lied van hun plattelandssoortgenoten minder aantrekkelijk gaan vinden, of kunnen ze zelfs die familie niet meer herkennen als behorend tot dezelfde soort. Door die veranderingen zouden populaties uiteindelijk uiteen kunnen groeien naar twee genetisch onderscheiden soorten: een stadssoort en een plattelandssoort. Omgekeerd zouden verschillende populaties van dezelfde soort verschillende strategieën kunnen ontwikkelen om stadslawaai het hoofd te bieden, wat uiteindelijk tot een scheiding van soorten zou kunnen leiden bij vogels die in dezelfde buurt leven. 'Het zou echt heel fascinerend zijn zo'n sympatrische speciatie van dichtbij te zien gebeuren', zegt Fuller.
Dat een dergelijke opsplitsing zou plaatsvinden, is verre van onwaarschijnlijk. Er zijn wetenschappers die denken dat de Europese merel zich al in een stedelijke en rurale subsoort heeft opgesplitst, elk met een eigen lichaamsbouw en levensgeschiedenis. Slabbekoorn en Erwin Ritmeester, ook van de Universiteit Leiden, zijn momenteel aan het onderzoeken hoe stadslawaai deze scheiding aandrijft. Met behulp van bandopnamen kijken ze of stadsmerels sterker op stadsgezang reageren dan op ruraal gezang. Ze hebben ook bloedmonsters genomen bij stads- en plattelandsmerels en willen nu gaan kijken of ze genetisch uit elkaar aan het groeien zijn. 'Het staat wel vast dat we een deel van het speciatieproces in volle gang zien', aldus Slabbekoorn. 'Maar waar dat uiteindelijk in uitmondt, maken we misschien wel niet meer mee.'
Hoewel merels, koolmezen en andere soorten kennelijk gebruik maken van hun vermogen hun lied aan te passen aan veranderende omstandigheden, zijn lang niet alle vogels flexibel genoeg om de stadse herrie het hoofd te bieden. Temidden van de herrie die zich afspeelt in het lage frequentiegebied zijn de grote verliezers die dieren die relatief zwaar, of zelfs helemaal, leunen op zang in datzelfde register en die bovendien fysiek niet in staat zijn over te schakelen naar een hoger frequentiegebied. Koekoeken, wielewalen, karekieten en zelfs de gewone huismus vallen allemaal in deze categorie. Huismussen zag je vroeger in alle parken en tuinen, maar de populaties lopen terug, in heel Europa. 'We snappen niet precies hoe dat komt, maar lawaai kan wel van invloed zijn', zegt Slabbekoorn. 'Huismussen hebben een belangrijke laag-frequente component in hun roep.'
In Nederland is de karekiet eenzelfde lot beschoren geweest. Incidentele aanwijzingen suggereren dat het lawaai van autowegen daartoe heeft bijgedragen: toen bij een bepaalde rietkraag een weg werd aangelegd, liep het aantal broedende karakietparen terug van tien naar twee. Toen de weg twee jaar dicht ging voor herstelwerkzaamheden, vestigden er zich vijf nieuwe paartjes die een goed heenkomen zochten toen de weg weer open ging voor het verkeer.
Harde geluiden kunnen ook onverwachte gevolgen hebben - en bijvoorbeeld heel trouwe vogels tot overspel brengen. Zebravinken onderhouden bijvoorbeeld monogame relaties met behulp van een serie roepen waaraan ze hun partner kunnen herkennen en waarmee ze hem kunnen opsporen. John Swaddle van het College of William and Mary in Williamsburg, Virginia, heeft ontdekt dat vrouwtjesvinken door herrie in de omgeving die roep niet meer kunnen horen, waardoor de sterke band die partners normaliter met elkaar hebben, losser wordt en de vrouwtjes op den duur geen voorkeur meer hebben voor hun partner boven een willekeurige andere vogel.
Zelfs bij soorten die zich met succes lijken aan te passen aan de geluidsoverlast zijn tekenen te bespeuren dat ze er slechts het beste van proberen te maken en dat die flexibiliteit wel zijn prijs heeft. Roodmussen gebruiken bijvoorbeeld meer energie om in lawaaiige steden harder te kunnen zingen, en ze zingen daardoor ook korter. De vrouwtjes van de roodmus geven de voorkeur aan partners die langer achtereen zingen, waardoor de mannetjes die compenseren voor het omgevingslawaai mogelijk minder kans krijgen zich voort te planten. De koolmees is van nature geneigd op het hoogtepunt van het paringsseizoen indruk te maken met zijn lage stemregister. Het maken van die tonen vergt meer inspanning, zegt Slabbekoorn. Dus geven ze waarschijnlijk een goede indruk van de kracht van de zanger en zijn potentie als partner. In het stadsrumoer kunnen dergelijke lage tonen evenwel verdrinken, dus moeten die stedelijke mannetjes een compromis zien te treffen tussen een lied dat heel aantrekkelijk is en een lied dat alleen maar goed hoorbaar is.
Herrie is maar een van de uitdagingen waarvoor vogels zich geplaatst zien. Tot voor kort ging de aandacht vooral uit naar andere vormen van vervuiling, zoals chemische en lichtvervuiling. Maar het lijdt geen twijfel dat lawaai nu al heeft bijgedragen aan een terugloop in de diversiteit van de vogelstand in steden en rond grote wegen. Frank Rheindt van de Universiteit van Würzburg in Duitsland heeft de diversiteit van een aantal vogelsoorten gemeten rond een drukke doorgaande weg ter plaatse; hij trof er nauwelijks nog vogels aan die in het lage frequentiegebied zingen.
Het pure feit dat stadsvogels over de hele wereld strategieën aan het ontwikkelen zijn om lawaai het hoofd te bieden, spreekt boekdelen. 'Er zijn heel veel factoren van invloed op het vermogen van vogels om zich in de stad voort te planten', zegt Slabbekoorn. 'Maar lawaai is daarvan de meest verwaarloosde.' Hoezeer dat van invloed zal zijn op het ochtendlijke koorgezang, staat nog te bezien.
Vertaling Chris Sprangers Tekst New Scientist
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'Weekblad archief'
Reageer, print of deel dit artikel
|