We zijn slimmer dan we denken, maar hoe lang nog?
Auteur: Paul van der Kwast |
31-01-2004
|
Deel dit artikel
Een vlieg in het email van een urinoir is ook innovatie. Maar niet voor het kabinet, dat zich blindstaart op onvolledige r&d-statistieken en dus vooral geld uittrekt voor stamcelonderzoek en nanotechnologie.
Innovaties on the job Innoveert Nederland genoeg? Huidige cijfers zeggen weinig Innovatie zit nu in diensten Hoe meten we innovatie? Onderwijs moet stimuleren
Innovaties on the job Piep! Daar gaat het zoveelste pak koffie van de dag over de scanner. Op het moment dat een pak koffie, suiker of een blik bonen de kassa passeert, gaat er een signaal naar het hoofdkantoor van Albert Heijn in Zaandam. Daar wordt na verloop van tijd automatisch een bestelling geplaatst, zodat de volgende dag het schap weer wordt aangevuld. De filiaalhouder hoeft er niets voor te doen.
Vijf jaar hebben ze bij Albert Heijn gewerkt aan dit innovatieve logistieke systeem, dat rond deze tijd in een aantal AH-vestigingen wordt geïnstalleerd. 'We hebben dit met managers van verschillende afdelingen, en met hulp van externe consultants, bedacht en ontwikkeld. Nee, een r&d-afdeling hebben we niet, we doen dit soort innovaties on the job', zegt Tony Vendrig, director replenishment (zeg maar de oppervakkenvuller) bij Albert Heijn.
Innovaties als deze tellen echter niet voor de statistieken. Politici en ambtenaren zijn nauwelijks geïnteresseerd in dit soort vernieuwingen, die vinden ze kennelijk maar triviaal. Liever kijken zij naar wat, voornamelijk industriële, Nederlandse bedrijven uitgeven aan research and development. En dat blijkt veel minder te zijn dan wat bedrijven in andere Europese landen opzijzetten voor onderzoek en ontwikkeling.
Innoveert Nederland genoeg? Waar een land als Duitsland 1,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) uittrekt voor r&d, en Zweden zelfs 3,3 procent, is dat in Nederland slechts 1,1 procent. Ook in de meeste andere landen waarmee Nederland zich wil meten, investeren ondernemers een stuk meer in innovatie. Voor een economie die toch al nauwelijks groeit, is zo'n gebrek aan vernieuwingsdrift op termijn natuurlijk funest, zo redeneren zwartkijkers. Eind vorig jaar schreeuwde het kabinet dan ook moord en brand. En kijk aan, terwijl op bijna elke post wordt bezuinigd, gaat er de komende jaren een slordige achthonderd miljoen euro naar enkele projecten die zijn geselecteerd door een commissie die vooral bestaat uit wetenschappers en ambtenaren.
Het geld gaat onder meer naar stamcelonderzoek, de verdere ontwikkeling van windenergie en onderzoek op het gebied van nanotechnologie. Daarnaast geeft de overheid jaarlijks drie- tot vierhonderd miljoen euro aan subsidies uit aan r&d binnen bedrijven. Dat is natuurlijk prima, alleen denken steeds meer economen dat het met de innovatie in Nederland helemaal niet zo slecht gesteld is. Zij vinden dat je, behalve naar de officiële r&d-cijfers, vooral ook moet kijken naar vernieuwingen die niet worden bedacht in laboratoria door mannen en vrouwen in witte jassen.
'Kijk, toen ik ging studeren, werd de welvaart van een land nog uitgedrukt in de hoeveelheid staal die een land produceerde gedeeld door het aantal inwoners, ofwel het aantal ton staal per hoofd van de bevolking. We accepteren intussen dat dat geen goede maatstaf meer is voor de welvaart, maar in Nederland staren we ons nog steeds blind op de r&d-statistieken. Die registreren echter voornamelijk hard bèta-onderzoek en geen innovaties in de dienstverlening', zegt Dany Jacobs, hoogleraar strategie en innovatie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Huidige cijfers zeggen weinig Alfred Kleinknecht, hoogleraar economie van de innovatie aan de Technische Universiteit Delft, denkt eveneens dat de huidige cijfers weinig zeggen over innovatie in Nederland. 'De r&d die officieel wordt gemeten, is oorspronkelijk ontwikkeld om onderzoek en ontwikkeling in de industrie te meten. Het meetconcept wordt ook in de huidige post-industriële economie toegepast, maar daar sluit het eigenlijk niet goed bij aan, omdat het economisch belang van de dienstverlening de laatste twintig jaar ontzettend is toegenomen. Ik heb de indruk dat we daardoor de totale innovatie behoorlijk onderschatten.' Cijfers die het belang van de dienstensector onderstrepen, zijn er overigens wel: de dienstverlening is intussen goed voor 72 procent van het bruto binnenlands product -- de industrie nog maar voor 16 procent.
Albert Heijn mag dan veel verwachten van het nieuwe logistieke systeem, zoals meer efficiency en minder nee-verkopen, de kosten voor de ontwikkeling ervan zijn nergens geregistreerd als r&d. Dat geldt ook voor de IT-investeringen van een bedrijf als Buhrmann, een handelsbedrijf in kantoorartikelen en -apparatuur. 'We hebben veel geïnvesteerd in e-commerce, toegankelijke websites, maar ook bijvoorbeeld in het vergroten van de doelmatigheid van onze magazijnen met behulp van nieuwe hard- en software', zegt een woordvoerder van Buhrmann.
Hoeveel geld trekt Buhrmann dan jaarlijks uit voor r&d? 'Geen idee. Bij ons zit de innovatie verstopt in personeelskosten, overige kosten en materiële activa.' Buhrmann innoveert dus wel degelijk, maar net o min als bij Albert Heijn zijn de kosten daarvan in de boekhouding terug te vinden onder het kopje 'onderzoek en ontwikkeling'. En dat geldt eigenlijk voor vrijwel alle andere dienstverlenende bedrijven. Banken, handelshuizen en uitgevers innoveren op grote schaal, maar hun onderzoeks- en ontwikkelingskosten gaan schuil onder posten als personeelskosten, diverse kosten en marketing. Vijftien van de 24 bedrijven uit de AEX-index, ofwel bijna tweederde, geven -- boekhoudkundig -- geen cent uit aan onderzoek en ontwikkeling.
Innovatie zit nu in diensten 'Het traditionele beeld is dat technologie de voornaamste drager van innovatie is, en dat diensten een beetje zielige sectoren zijn die voor hun innovatie vooral afhankelijk zijn van de industrie', zegt Pim den Hertog van Dialogic, een adviesbureau op het gebied van innovatie. 'Dat is natuurlijk niet zo. Maar het idee dat innovatie wordt gedomineerd door de industrie en harde technologische innovatie is hardnekkig.'
Philips beseft al langer dat niet-technologische innovatie, 'zachte' innovatie, minstens zo belangrijk is als de harde bètaresearch, en besteedt daar veel aandacht aan. Deze 'zachte' innovatie omvat uiteenlopende zaken als productontwerp, marketing, de verpakking, organisatorische innovaties en het effectief inzetten van ICT. De resultaten zijn onder andere de Senseo-koffiezetter en de nieuwe reeks Cappellini-meubelen met ingebouwde dvd-speler en andere elektronica. Bij Philips Design werken zo'n vijfhonderd mensen, en de ontwerpers hebben in alle stadia van de ontwikkeling een dikke vinger in de pap. De tijd dat de ingenieurs in het NatLab het voor het zeggen hadden, is definitief voorbij.
Pssst! Raak! De Maastrichtse keramiekfabrikant Sphinx -- inmiddels in Finse handen -- bracht begin jaren negentig als eerste urinoirs met daarin afbeeldingen van vliegen op de markt. Het was het antwoord van de Limburgers op klachten van klanten dat veel mannen er maar niet in slagen in de pot te piesen. Door een vlieg in urinoirs af te beelden, kunnen mannen gerichter hun blaas legen. Het lijkt een dubieus staaltje innovatie, maar het leidt in de praktijk tot dertig tot veertig procent minder morsen, en dat leidt weer tot lagere schoonmaakkosten en dus een efficiënter sanitairgebruik. Niet niks dus.
Inmiddels hebben andere ondernemers Sphinx overvleugeld met afbeeldingen die van kleur veranderen, en zijn er zelfs urinoirs in de handel met afbeeldingen van vrouwen wier badpak verdwijnt als ze nat worden. Een triviale uitvinding? Wellicht, maar wel een lucratieve. Niet alleen blijft de meeste innovatie van dienstverleners buiten de boeken, veel onderzoek en ontwikkeling van industriële bedrijven komt evenmin in de boeken terecht, zoals de wc-vlieg van Sphinx.
Hoe meten we innovatie? 'De werkelijke totale r&d in Nederland is misschien wel drie, vier keer zo hoog als wat we meten aan de hand van de officiële r&d-cijfers', zegt Kleinknecht. Sinds een jaar of tien probeert Eurostat te meten hoe innovatief bedrijven zijn. De uitkomsten daarvan geven echter ook geen uitsluitsel over hoe creatief en innovatief Nederlandse bedrijven zijn. Het CBS poogt, samen met zusterorganisaties elders in Europa, wel 'zachte' innovatie te meten in de zogeheten innovatie-enquête, maar de uitkomsten zijn niet eenduidig. Volgens sommige cijfers zijn we innovatiever dan de meeste andere landen, andere cijfers wijzen juist op het tegendeel. Duidelijk is in elk geval dat het meten van niet-technologische vernieuwingen heel moeilijk is.
Het is jammer dat het CBS de innovatie in de dienstverlening nog niet goed kan meten, maar het besteedt er in elk geval wel aandacht aan. En dat zouden politici en ambtenaren ook moeten doen. De gebrekkige manier waarop innovatie wordt geregistreerd, maakt namelijk dat er onjuiste conclusies worden getrokken. 'Dat gebeurt deels bewust, want bij de beleidsmakers zitten veel technofielen, die heel erg op techniek zijn gefocust', zegt Jacobs. Die beleidsmakers willen dus vooral zien hoe slecht Nederland het op dat gebied doet.
En dat betekent, denkt Den Hertog van Dialogic, dat de overheid wel fanatiek bezig kan zijn met innovatie, maar dat de r&d-subsidies sterk zijn gericht op industrie en technologie. 'Dat is historisch verklaarbaar, maar inmiddels is er een mismatch ontstaan tussen de economische realiteit -- we concurreren voor een belangrijk deel op innovatieve diensten -- en het beleid van de overheid.' Bij veel politici en ambtenaren is dat nog niet doorgedrongen. Het kabinet maakte vorige week wel een hele vertoning van de reis naar Silicon Valley van staatssecretaris van Economische Zaken Karien van Gennip en een aantal ondernemers -- premier Balkenende hield zelfs via een videoverbinding een speech voor Nederlandse en Amerikaanse high-techondernemers.
Onderwijs moet stimuleren Maar de aandacht voor dit soort technologie-uitstapjes en het gepraat over kenniseconomie is helaas omgekeerd evenredig met de geldstromen naar het onderwijs in het algemeen. Want de huidige rijkdom van Nederland is grotendeels gebaseerd op kennis die is opgedaan in het verleden. Slechts enkele landen zijn welvarender dan Nederland, terwijl wij rijker zijn dan sommige landen die veel zwaarder in r&d investeren, zoals Zweden, Finland, Duitsland en Frankrijk. Maar wil Nederland over tien, twintig jaar nog steeds bij de top horen, dan zullen de onderwijsuitgaven omhoog moeten. En hoeveel van dat geld bij bèta's terechtkomt, is in het postindustriële tijdperk minder relevant. Als ze maar kennis hebben.
Het gaat namelijk niet alleen om het groepje bètatoppers waar politici en ambtenaren zo van in vervoering kunnen raken, het gaat er ook om dat Heineken voldoende goede trendwatchers in dienst kan nemen, dat bij Albert Heijn de piepers op tijd in de winkel komen, dat Sphinx nog innovatieve manieren kan bedenken om wc's schoon te houden en dat ING zijn leiderschap op het gebied van internetbankieren kan uitbouwen. Daarvoor zijn hoogopgeleiden in het algemeen nodig. Kleinknecht kan er kort over zijn: 'De voornaamste stimulans van innovatie is onderwijs.'
Overgenomen uit Intermediair, 22 januari 2004
Meer artikelen in de rubriek: Weekblad archief
Reageer, print of deel dit artikel
|