Waarom Nederland incubators nodig heeft
Auteur: Wouter Smilde
|
11-05-2011
|
Mail dit artikel
Het wordt weer sexy om broedplekken te beginnen voor veelbelovende, startende ondernemers. Dromend van een Hollands Silicon Valley pompt de ene na de andere stad miljoenen in hippe start-ups. Goudglans heeft de incubators al eens eerder verblind.
Er was een tijd dat zelfs de oprichter van de Dutch Incubator Association (DIA) het besmette woord incubator liever niet gebruikte. Als Pim de Bokx zich voorstelde, zei hij dat hij van een ‘innovatiecluster' was.
Hij was niet de enige die een linguïstische fopsnor opplakte. Verzamelgebouwen waar startende bedrijfjes ondersteuning krijgen, noemden zich de laatste jaren van alles - business accelerator, venture catalyst, e-campus - behalve incubator. Met dank aan de slechte tak van de familie. Een dozijn Nederlandse broedplekken voor internetbedrijfjes bracht in 2000 alle vakgenoten in diskrediet. Bij het barsten van de internetbubbel bleek dat ze borstkloppend miljoenen hadden gepompt in bedrijfjes die dat lang niet waard waren.
De it-broedplekken hadden met elkaar gemeen dat ze nogal typische namen hadden (Ant Factory, Gorilla Park, Ipotentials) en in de hipste panden zaten. Bij de koffieautomaat - herstel: inpandige espressobar - zouden jonge ondernemers elkaar aansteken met goede ideeën.
Ze spraken met dedain over de slome ‘oude economie.' De naam van een van de bekendste incubators bevatte die hoon: Newconomy. Hun mentaliteit was ‘go go go!', typeerde een betrokkene. Tot uitkwam dat knollen voor citroenen waren verkocht.
Investeerders maakten zich uit de voeten. Bedrijfjes gingen failliet. En de it-incubators gingen in ruzie en smaad ten onder. Met hun lawaaiige parade door de hoofdstraat hadden ze van de broedplaatsen een bekend verschijnsel gemaakt. Met hun ondergang maakten ze evenredig veel slechte reclame.
Een incubator levert een universiteit meer studenten op
Maar een renaissance is op handen. De een na de andere kweekkamer voor jonge ondernemingen schiet de laatste tijd uit de grond. Van de ongeveer 25 incubators die Nederland telt, zijn verreweg de meeste jonger dan vijf jaar.
Er zijn veteranen, vooral in de techregio's rond Eindhoven en Enschede. Er zijn hotspots: alle vier grote steden tellen meerdere incubators. En er zijn piepkuikens: een 2.500 vierkante meter grote incubator aan de Kleefse Waard bij Arnhem is nog niet eens uit de steigers.
Even verderop in Arnhem is de voormalige ouderensoos aan de Sonsbeeksingel pas overgeschilderd, om 's lands eerste mode-incubator te worden. De lang leeg gebleven PZEM-elektriciteitscentrale in Vlissingen wordt betrokken door Incubator Zeeland.
Ook in Leeuwarden worden de eerste schreden gezet: vijf in de kweek gezette starters delen een pand aan de Emmakade. Oosterbuur Groningen telt al twee incubators. De oudste daarvan (vijf jaar) heeft kortgeleden satellietvestigingen geopend in Assen en Emmen.
Is het toeval dat vooral universiteiten, steden en provincies de geldschieters voor die opleving zijn? Nee. Terwijl de commerciële internetincubators uit de bocht vlogen, werkten de broedplekken van onderwijsinstellingen en regio's gewoon door. Met resultaat.
Onderzoek van de Harvard Business School suggereert dat broedplekken vooral tot hun recht komen, als een kennisinstelling of regio ze steunt. Die hebben geduld met hun broedplek. Ook als de incubator niet zorgt voor snelle cash.
‘Universiteiten kunnen wel geld verdienen met incubators', zegt Pim de Bokx van DIA. ‘Maar dat is pas na jaren, als bedrijfjes producten gaan verkopen waarin hun intellectueel eigendom is verwerkt. Universiteiten ontvangen dan royalities voor hun patenten.'
Op de korte termijn is de ondersteuning voor starters ondertussen goede pr. ‘Over fundamenteel onderzoek is het lastig communiceren. Maar laat een ondernemende jongere een bedrijfje beginnen met praktische toepassingen, en het is ineens aantrekkelijk. Een incubator levert een universiteit meer studenten op én de interesse van het bedrijfsleven.'
Regio's hebben eenzelfde voordeel van broedplekken. ‘Ze laten zien dat ze bezig zijn met het creëren van bedrijvigheid met ondernemend talent uit de regio. Dat alleen al spreekt aan. Pas later komen socio-economische voordelen: meer banen, minder uitkeringen, meer belastingopbrengsten.'
Hoe Joe Mancuso zijn familie-eer redde
De allereerste incubator ter wereld kwam voort uit een gelukkig geval van pech. De New Yorkse familie Mancuso kocht in de jaren vijftig van de vorige eeuw een leeggekomen tractorfabriek. Maar niemand wilde de kolos van ze huren. Aan Joseph Mancuso - Joe - om de familie-eer te redden. Een maand lang benaderde hij potentiële huurders. Niet één beet. Toen verzon hij een alternatief. Hij verdeelde het gebouw in kleinere eenheden en benaderde kleine bedrijfjes. Als ze bij hem ruimte zouden huren, beloofde hij ze te helpen hun handel groter te maken.
Een van de eerste huurders was een bedrijf in kippen. ‘So we decided to call it an incubator' (een broedmachine), grapte Joe. De term bleef hangen. Ook toen anderen het model overnamen en het aantal incubators in de loop der jaren groeide tot vijfduizend wereldwijd.
De werkwijze van de broedplekken is sindsdien verbeterd. De meeste richten zich niet op zomaar bedrijven, maar op starters, liefst in de innovatieve sector. Met hulp valt juist van die bedrijfjes het meeste te maken.
Om hun pupillen groot te kweken, regelen incubators precies die dingen waaraan het ondernemende newbies in de regel ontbreekt. Dat begint nog altijd met goedkope werkruimte, omdat de slaapkamer bij moeder thuis geen plek is om klanten te ontvangen. Dan: krediet. De eerste twintigduizend euro weten jonge entrepreneurs meestal wel bij elkaar te sprokkelen met hulp van die ene lieve tante. Maar vanaf daar staan ze er praktisch alleen voor. Bij veel banken hoef je pas aan te kloppen als er al een paar ton is verdiend.
Verder kunnen de starters bij hun incubator terecht voor advies. Zomaar wijze raad, maar ook specifieke training. Een cursusje pr bijvoorbeeld voor die autistische nerd die een geniaal product heeft bedacht, maar het niet weet te verkopen. Ten slotte deelt de incubator het adresboekje. De starter krijgt toegang tot een telefoonlijst vol potentiële klanten, onderzoeksinstellingen, mensen die als kruiwagen kunnen dienen of andere bedrijfjes waarmee ze kunnen optrekken.
Volgens De Bokx, van de brancheorganisatie, heeft de internetbubbel een bijdrage geleverd aan het proces van professionaliseren. 'We hebben geleerd van de fouten en gooien er minder geld tegenaan. We selecteren beter de echt kansrijke bedrijven. Ook is de begeleiding van jonge ondernemers beter geworden.'
Het suffertje van de wereldeconomie
Het Amerikaanse opinieblad Newsweek analyseerde dat baard-in-keel-krijgen van de incubators. Het tijdschrift noemt de nieuwe broedplekken ‘incubators 2.0'. Geen wonder dat de broedplekken weer populair worden.
Er zit een gelukkige timing in dat proces. Nederland wil mee in de vaart der volkeren. Als westerse landen comfortabel blijven dobberen op hun plek, zullen China, India, Brazilië en Rusland, ze als olietankers overvaren. Onze economie heeft jonge, snelle bedrijven nodig.
Een week geleden hield André Oosterlinck van de universiteit van Leuven een pleidooi voor meer valorisatie: het succesvol naar de markt brengen van uitvindingen door universiteiten. Nederland loopt daarbij niet hard genoeg, zei hij in het Financieele Dagblad.
In dezelfde week hekelde de London School of Economics de houding van Nederlandse ondernemers. Die zouden te weinig de ambitie hebben om hun bedrijf te laten groeien. ‘Er is nog een wereld te winnen', verzuchtte Maxime Verhagen (minister van Economische Zaken).
Niemand wil het suffertje van de wereldeconomie zijn. Of van de landelijke. Want ook regio's, bedreigd door krimp, hebben hun hoop in innovatie gesteld. Als de chemiesector in Limburg een vlucht neemt, telt het zuidoostelijk aanhangsel van Nederland economisch weer volop mee. En als in Friesland de watertechnologie van de grond komt, dan verhuizen jongeren niet meer naar de Randstad; dan komen ze vanuit de grachtengordel naar it bêste lân fan d'ierde, klinkt het op het provinciehuis. Vruchtbare grond voor de incubators. Want hoop doet kweken.
Maar wie de regionale ambities beluistert, hoort een vagelijk bekende melodie. Zoveel geloof in de mogelijkheden van gekweekte innovatie - zo ging dat voor de internetbubbel ook. Toen was dat ingegeven door de hoop de nieuwe Steve Jobsen te ontdekken. Als wereldveranderende bedrijven als Google, Apple en Facebook konden ontstaan op een studentenkamer, wat kon er dan wel niet uit een dynamische broedplek komen?
De it-incubators rekenden op hun lucky shot. Gorilla Park zei in 150 dagen een idee uit te kunnen kweken tot bedrijf. Twinning zou successen boeken van ‘minimaal het niveau Baan' - een bedrijf dat op het hoogtepunt op de beurs meer waard was dan KLM. Dat kweken kan werken, tonen verschillende rapporten en succesverhalen. Maar hier werd de fout van Icarus gemaakt: dat je kunt vliegen, betekent nog niet dat je ook tot de zon kunt gaan.
Nederlandse Sillicon Valley's
Het goud dat de regio's in de ogen glinstert, ligt aan de andere kant van de oceaan: Silicon Valley in Californië. Waar de ene na de andere aardverschuivende technologische vondst wordt gedaan. Daar resulteert een pienter idee daadwerkelijk in duizenden banen. Toen de Provinciale Zeeuwse Courant Martin de Klerk, projectmanager van Incubator Zeeland, bevroeg over ‘zijn' broedplek, refereerde hij optimistisch aan het Amerika van melk en honing. ‘Silicon Valley is ook zo begonnen'.
Ook Almere wil uitgroeien tot het Silicon Valley van Nederland. Met een ‘vruchtbare media-innovatiehub'. De stad gaat ervan uit dat die zal resulteren in honderdduizend extra banen in Almere tot 2030. Misschien alweer vergeten, maar ook Nieuwegein zou ooit Silicon Valley worden dankzij ict-innovatie. Daarbij werd het naar de kroon gestoken door ‘ict-megapole' Maarssen.
Cees Buisman, directeur van het Leeuwarder Wetsus, wil van de Friese hoofdstad het Silicon Valley maken van de watertechnologie. De gemeente is iets bescheidener: Europese hoofdstad van de watertech is ook goed. Leeuwarden ambieert verder een soort ‘gaming capital' te worden, omdat het een succesvolle jonge spelontwikkelaar rijk is. Maar Utrecht wil dat ook. De domstad heeft daartoe de incubator Dutch Game Garden gesubsidieerd. Een andere ict-incubator uit Utrecht heeft verder de aanval ingezet op ‘de overmacht van Oracle en Microsoft', aldus computerprof Sjaak Brinkkemper. Laat dat maar over aan de pientere studenten en hun ‘nieuwe en innovatieve producten'.
Ter verdediging: het innovatiebeleid van ambitieuze steden heeft meestal meer om het lijf dan alleen een incubator subsidiëren. Er wordt hard gewerkt om bedrijven en kennisinstellingen aan de gemeente te binden, en ‘clusters' te maken. En citymarketing pompt geregeld ook lucht in de ambities. Dat Lelystad een incubator wil beginnen voor de ruimte- en luchtvaartindustrie, is geen idee van de afdeling Economische Zaken van het stadhuis. Het komt uit het communicatieplan dat adviesbureau Berenschot voor de gemeente schreef: kom met een incubator die het mérk Lelystad versterkt.
Wie wil weten tot in hoeverre succes te kweken is, moet naar de Universiteit Twente gaan. Een stad in het klein, tussen Enschede en Hengelo. Volgens premier Rutte het voorbeeld voor de rest van Nederland wat betreft valorisatie. Kees Eijkel van het Kennispark Twente somt een rijtje kweekresultaten op: zo'n veertig nieuwe innovatieve bedrijven per jaar, 330 bedrijfsvestigingen in de regio, 750 spin-offs en 5.611 arbeidsplaatsen. En dat voor een regio die op z'n gat lag, na het vertrek van de textielindustrie.
‘Maar', haast hij te zeggen, ‘daar hebben we dertig jaar lang aan gewerkt. Niet alleen wij. Ook de steden, de provincie, het regionale bedrijfsleven. Succes vraagt om veel bouwstenen.' Een hoofdstuk van de politieke analyse van het Twentse innovatieproject luidt droog: ‘Innovatie kost tijd.'
Studenten die ondernemen
Een student kan overal aanmoedigingen vinden om te gaan ondernemen, blijkt bij een wandeling over het terrein. Volgens Maarten Aertsen, voorzitter van de Student Union, begint dat bij de studentenverenigingen. ‘We proberen meteen mensen te betrekken bij het organiseren van evenementen en projecten'. Begroting: maar liefst 4,5 miljoen.
Dan de klasgenoten. Student technische wiskunde Siebe Brinkhof doet mee aan de zonne-energierace Solar Challenge. 130 bedrijven staan in de rij om met hem te praten. Student werktuigbouwkunde Jan Jaap Mastenbroek begon een detacheringsbureau voor zijn technische klasgenoten - hij heeft inmiddels zeven man personeel.
Of neem een voorbeeld aan de docenten. Professor Paul Havinga legt glimlachend drie visitekaartjes op tafel. Een is van de universiteit. De twee andere zijn van bedrijfjes die hij begon met studenten en kennis van de universiteit. Havinga maakt draadloze sensoren. Kastjes zo groot als een doosje lucifers, die meereizen in kratten fruit op transport. Daar meten ze hoe vers het fruit blijft. Spaart soms tot dertig procent verlies van de lading.
Ondanks het succes van Twente moet hoogleraar innovatief entrepreneurship Aard Groen glimlachen bij termen als ‘Silicon Valley'. Fijntjes: ‘Dat gebied is zo groot als Nederland. Heel het land zou zich op it moeten storten om daarmee enigszins te concurreren.' Niks mis met ambitie, vindt Groen. Integendeel. ‘En als je hard werkt en het meezit, wordt je cluster misschien wel zo groot als een dorpje in Silicon Valley.'
Illustratie: Leendert Masselinck
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'Voor jezelf beginnen'
Reageer, print of deel dit artikel
|