Werken in de techniek: wat staat ingenieurs te wachten?
Auteur: Fee Naaijkens
|
02-02-2010
| Reacties: 1
|
Mail dit artikel
Ingenieurs hebben de toekomst. Techniek is onmisbaar voor een duurzame en veilige leefomgeving. En de vraag naar ingenieurs is nijpend. Wat speelt er in deze branche en welke carrièrekansen levert dat op?
Babyboomers in de technische sector gaan de komende jaren en masse met pensioen. Er zijn onvoldoende startend bèta's om dat gat te vullen. En dus loopt de komende jaren het tekort aan bèta's op de arbeidsmarkt verder op. Kortom, een beter carrièreperspectief kun je je als hoogopgeleide niet wensen.
Tenminste, als het economische klimaat het toelaat. De tijd waarin een startende ingenieur kon kiezen tussen meerdere aanbiedingen van verschillende werkgevers is in 2009 voorbij. Chipfabrikant ASML moest honderden flexwerkers ontslaan of plaatsten hen in de deeltijd-WW. [Overigens bleken de resultaten in de tweede helft van 2009 mee te vallen voor ASML, red]. Shell liet duizenden werknemers opnieuw solliciteren en ook bij de hoogovens van Corus werd flink in het personeelsbestand gesneden. Toch komen bèta's nog relatief makkelijk aan een baan ten opzichte van andere beroepsgroepen. Driekwart van de studenten die tussen augustus 2008 en juli 2009 afstudeerden aan de TU Eindhoven vond binnen drie maanden werk.
Chemici, bouwfysici, natuurkundigen en proces engineers: allemaal dragen ze de titel ingenieur, afgekort ir. (WO) of ing (hbo). ‘De vraag naar goed gekwalificeerde mensen is en blijft groot', aldus Henny Lardenoye van Platform Bèta Techniek. Uit de prognoses van het Researchcentrum van Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) blijkt dat een hbo-studie laboratorium, de universitaire studies farmacie en medische biologie goede perspectieven bieden op de arbeidsmarkt. Ook aan procestechnologen en afgestudeerden in de elektro- en civiele techniek is een groot tekort, volgens Lardenoye. Vooral ervaren technici blijven tijdens een recessie in trek bij ingenieursbureaus. Zij brengen naast kennis ook de contacten (en dus klanten) met zich mee. Grote bedrijven zoals Philips en ASML doen er alles aan om hun technici te behouden. Want zodra de economie aantrekt, begint de jacht naar technische professionals opnieuw.
De overheid als grote investeerder
Los van een structureel tekort aan goede technische professionals, doet ook de overheid een duit in het zakje om het banenaanbod in deze sector op peil te houden. Juist als het economisch minder gaat, investeert de overheid namelijk vaak extra in infrastructuur en innovaties.
Daarnaast richtte het Kabinet Balkenende-III in 2003 het Innovatieplatform op om de concurrentiepositie van Nederland op technisch gebied te verbeteren. Dat stimuleert en subsidieert bedrijfsleven, kennisinstellingen en beleidsmakers om samen onderzoek te doen - en houdt daarmee ook mensen aan het werk. Ingenieursbureaus varen wel bij deze overheidsteun. ‘Grote bureaus als Fugro, Arcadis en Grontmij hebben marginaal geleden onder de recessie‘, aldus Paul Oortwijn, directeur van branchevereniging NLingenieurs. Ruim de helft van de advies- en ingenieursbureaus kon zijn personeelsbestand tenminste in stand houden, of zelfs uitgebreiden.
Multidisciplinair werken
Een gekwalificeerde ingenieur heeft niet alleen kennis van ontwerpen, maar beschikt ook over de nodige people skills. 'Communicatieve vaardigheden', 'flexibiliteit' en 'kunnen werken in teamverband' zijn vereisten die geregeld opduiken in vacatureteksten. Een goede ingenieur kan samenwerken met andere disciplines. Zo moet de nano-technoloog bij Philips rekening houden met de gebruikers van zijn product, die veelal in de gezondheidszorg werken. Werktuigbouwkundigen in de scheepsbouw leveren producten voor de offshore industrie [het winnen van olie en gas op zee, red]. En een Nederlandse waterbouwer moet nauw samenwerken met een aannemer in Bangladesh. Mede daarom specialiseren ingenieursbureaus zich niet langer op één gebied, maar vormen multidisciplinaire teams.
Veel vraagstukken waar ingenieurs zich mee bezig houden, strekken verder dan de Nederlandse grenzen. Een internationale carrière behoort dan ook zeker tot de mogelijkheden.
In welke vakgebieden is de ingenieur actief?
Technici werken voornamelijk in onderstaande industrieën.
Energie / gas- en oliewinning
Zowel in Nederland als in het buitenland pompen ‘technici uit Holland' olie en gas uit de bodem. Offshore bureaus als SBM en Fugro bepalen hoe en waar deze brandstoffen gewonnen worden. Doordat steeds minder olie beschikbaar is, neemt offshoring in dieper zeewater toe. Om kosten en milieu te sparen, gebruiken bedrijven tegenwoordig vaker boorschepen die achteraf niet ontmantelt hoeven worden en geen boorplatformen meer, zoals vroeger.
Desalniettemin is dit een vervuilende industrie die grotendeels verantwoordelijk wordt gehouden voor de toename in CO2-uitstoot. De sector zoekt dan ook naar nieuwe energiebronnen en manieren om de CO2-uitstoot terug te dringen. Zo experimenteren Shell en NAM met ondergrondse opslag van CO2, in bijvoorbeeld lege aardgasvelden. Kleine bedrijfjes werken volop met alternatieve energiebronnen. Windmolens, zonnecollectoren en biodiesel winnen in dit vakgebied terrein.
Toonaangevende bedrijven: Shell, NAM, Dockwise, SBM Offshore, Fugro en Argos Oil
Water- en deltatechnologie
Enkele jaren geleden vertrok een handjevol Nederlandse ingenieurs naar Dubai om daar de Palmeilanden op te spuiten. Sinds de recessie zijn velen van hen teruggekeerd. De één is weer in Nederland aan de slag gegaan, de ander werkt aan de nieuwe stormvloedkering in New Orleans. Economische tegenslag of niet: door de klimaatverandering blijft er een grote behoefte aan ingenieurs die ervoor zorgen dat mensen veilig kunnen wonen en werken in kust- en riviergebieden. Of dat nu in Bangladesh, India of Zeeland is. Nederlandse waterbouwers - bekend geworden door de Deltawerken - zijn een gewild exportproduct.
Naast het aanleggen van wooneilanden en het droog houden van kustgebieden, bouwen ingenieurs transportschepen. Omdat die schepen steeds groter worden, moeten vaargeulen worden verbreed (baggerwerk) en havens aangepast worden om deze capaciteit aan kunnen. Ook dit behoort tot het werkveld van de ingenieur.
Toonaangevende bedrijven: Movares, DHV, Royal Haskoning, Vopak, HES Beheer, IHC Holland, Arcadis en Van Oord
High-tech industrie
Ingenieurs in deze sector werken voornamelijk bij bedrijven in het zuiden van het land, rond Eindhoven. Een groeiende groep, de nano-technologen, houdt zich bezig met onderzoek op nanoschaal. Ofwel, met piepkleine deeltjes. Eén nanometer is een miljoenste van een millimeter. Nano-elektronica is enorm in opmars en vind je terug in zonnepanelen, de OV-chipkaart, iPods, mobiele telefoons, maar ook in medische apparatuur.
Ingenieurs uit het bedrijfsleven werken veelal samen met wetenschappers van de technische universiteiten, vaak met subsidie van de overheid. Minister van der Hoeven van Economische Zaken investeert namelijk miljoenen euro's in deze groeimarkt. Zo zijn er incubatorprogramma's - ofwel broedplaatsen - bij Philips of de TU Delft waar jonge technici begeleid worden bij productontwikkelingen en marktintroducties. MKB-bedrijven kunnen op hun beurt gebruik maken van zogenoemde innovatievouchers of gesubsidieerde onderzoeksprojecten.
En startende ondernemers vestigen zich op de High Tech Campus in Eindhoven, waar ze makkelijk kunnen samenwerken met de daar aanwezige kennisinstellingen. Alles om er voor te zorgen dat Nederland op dit gebied voorop loopt en tot de wereldtop gaat behoren.
Toonaangevende bedrijven: Philips, ASML, NXP, Océ, TNO, Logica-CMV
Automotive industrie
De verkoop van auto's is sterk afhankelijk van economische schommelingen. Hummers worden vanwege het grootverbruik in benzine massaal ingeruild voor zuinige auto's. Als gevolg daarvan moest het Amerikaanse General Motors in 2009 duizenden mensen ontslaan. Nederland kent echter weinig autofabrikanten, maar des te meer toeleveranciers. Bedrijven als InAlfa en Voestalpine Polynorm bijvoorbeeld produceren schuifdaken, deuren en carrosserieonderdelen.
Dat betekent niet dat de toenemende vraag naar schonere auto's geen gevolgen heeft voor technici op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zware materialen moeten worden vervangen door lichtere. En ook de komst van de elektronische auto vraagt om nieuwe innovaties. Van cruciaal belang voor deze auto is bijvoorbeeld de komst van een zuinige accu. Hoe zorg je dat deze langer meegaat en sneller oplaadt dan de huidige modellen? Over deze en andere innovaties buigen ingenieurs zich in onderzoekscentra zoals het Automotive Technology Centre en High Tech Automotive Systems. Binnen deze organisaties werken wederom wetenschappers en ingenieurs uit het bedrijfsleven samen aan innovatie en onderzoek.
Toonaangevende bedrijven: DAF, Nedcar, Koni, Voestalpine Polynorm, InAlfa en VDL
Met dank aan Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI NIRIA, NLIngenieurs en Platform Bèta Techniek.
Heb je aanvullingen op dit artikel? Mail je suggesties naar webredactie@intermediair.nl
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'Techniek'
Reageer, print of deel dit artikel
Reacties op dit artikel:
Anna Lyse | 1 april 2012 (21:13)
Tandartsen en medici zorgen zorgen via hun belangenvereniging al sinds jaar en dag via een numeris clausa dat het aantal nieuwe studenten beperkt blijft. Van ingenieurs heb ik iets dergelijks nog nooit gehoord. Integendeel. Iedereen roept over het grote maatschappelijke belang (terecht), maar vergeet de belangen van de ingenieur. Een technische studie is een zware studie en de maatschappij dankt heel veel verworvenheden aan deze mensen. Maar het is stuitend te zien dat de maatschappij er zo weinig voor over heeft. En jammer genoeg zijn ingenieurs te serieus met hun werk bezig in plaats van naar hun belangen te kijken.
Ik zie nog geen enkele verbetering in 40 jaar. Men is dus gewaarschuwd.
|