Intermediair onderzoek: deze banen hebben de meeste status
Auteur: Wouter Smilde
|
20-04-2011
|
Mail dit artikel
De ceo's liggen onder vuur om bonussen en zwalkende koersen. Toch geniet de topman (m/v) meer status dan wie ook, blijkt uit het Intermediair statusonderzoek. En hoe je zelf status krijgt: niet door dat dure pak.
Jan Hommen is een zakkenvuller, kwettert het over internet. Meteen nadat bekend werd dat de chief executive officer van de ING Groep een bonus zou krijgen over 2010, vormde zich een digitale volksoploop. Wat dacht hij wel: 1,2 miljoen euro, bovenop een salaris van 1,3 miljoen.
Hommen staat bekend als een warm familiemens, een goede ceo, en zijn beloning was volgens de richtlijnen. Toch doe je zoiets niet, is de kritiek, als je bedrijf door belastingbetalers is gered; als je pas pensioenen van werknemers hebt bevroren; en zolang klanten karig af zijn met de spaarrente.
Zou Hommen er enige troost aan hebben dat hij niet de enige topman in het schandblok is? De paardenvijgen die Bart Weijermans, van T-Mobile niet naar zich geworpen kreeg. Of anders wel hullie van de energiebedrijven en verzekeraars - ooit geprobeerd de eigen klantenservice te bellen, nou?
Impopulairder dan Tony Hayward, de baas van energiebedrijf BP, kun je niet snel worden. Hij ging uit spelevaren terwijl de Mexicaanse golf vol stroomde met olie. Een ecologische ramp. Vissers zonder werk. Maar Hayward vond het tijd voor een uitje met privé-jacht. Sussend: dat lek valt wel mee.
Of het nou in de VS of Europa is, overal klinkt de vox populi schor van boosheid over ceo's en hun carrousels van hebzucht. Zeg ‘Barclays' tegen een Brit en de stiff upperlip trilt. Het imago van de bazen lijkt naar de ratsmodee.
Toch blijkt uit een Intermediair-onderzoek verrassend het tegendeel. 399 hoogopgeleide werkenden die hun sporen hebben verdiend (zie: verantwoording), beantwoordden de afgelopen maand vragen over status en werk. Voor 79 procent van hen had het beroep van topman of -vrouw de meeste status.
Andere gerespecteerde beroepen blijven zelfs op afstand. Niet de specialist die een kloppend hart in iemands borstkas kan plaatsen; niet de hoogleraar kwantummechanica; zelfs niet Mark Rutte geniet zoveel aanzien.
Een snel gemaakte relativering: voor veel respondenten is het zo onvermijdelijk als vis op vrijdag, om de ceo hoog aan te slaan. De meeste ondervraagden werken in het bedrijfsleven, soms als leidinggevende. Toch: ook met een lager percentage staat de topman (m/v) wel heel stevig op z'n sokkel.
Minder slaap om status
Zou de ceo daar nou van wakker liggen? Auto met chauffeur, een goudgerand aandelenpakket, vakanties in Nice - niet alleen blondines, ook ceo's hebben more fun. En waarom zouden mensen überhaupt slaap verliezen om status?
Voor de meerderheid van de Intermediair-panelleden is status belangrijk, omdat die loopbaankansen biedt (72,4%). Volgens een aantal zelfs de vrijheid om te doen en laten wat je wilt (30,1%). Geen wonder dus dat slechts één op de vijf het niet belangrijk vindt om te ijveren voor meer aanzien op het werk.
Maar dan moet die status zich wel uitbetalen. Meer status, maar niet meer geld, gemak of vrijheid? Wel chef worden - aanzien - maar niet meer verdienen? Maar een kleine minderheid van de ondervraagden zou het doen.
Ook is statusjagen vooral een zaak van het kantoor. In hun privéleven zijn de ondervraagden minder gebeten. Slechts zo'n dertig procent vindt status in het dagelijks leven (heel) belangrijk. Maar een beduidend grotere groep geeft er niet (zo) om. Conclusie: status draait om promotie en inkomen.
Niet dus. In zijn boek Statusangst graaft de mediagenieke Zwitsers-Britse denker Alain de Botton, dieper onder de oppervlakte van het algemeen aanvaarde idee: dat werken aan meer status voortkomt uit een verlangen naar geld, roem en invloed.
De Botton - hij lijkt op een middeleeuwse geleerde, met oogjes alsof hij pas het daglicht ziet na uren in de bibliotheek - oppert dat al die verlangens maar surrogaten zijn voor het verlangen naar liefde. Inderdaad ‘een woord dat in politieke theorieën zelden wordt gebruikt.'
Het is bijna dezelfde soort als de romantische liefde waarop mensen zo openlijk jagen. Statuszoeken gaat besmuikter. Maar dat is camouflage, schrijft De Botton. Iedereen ‘behalve Jezus' wil status. Want wie het heeft, voelt zich geborgen en geliefd. Wie het niet heeft, is een nobody.
Over De Bottons boek werd een documentaire gemaakt. We zien de filosoof in het Londense restaurant Strada, met de eigenaar Luke Johnson. Johnson, net geen vijftig, hoeft niet meer te werken. Hij verkocht een keten pizza-restaurants en kan rentenieren op een tropisch eiland naar keuze.
Maar hij doet het niet. Johnson vertelt over een onderzoek dat is gehouden onder geslaagde zakenmensen als hij. ‘Waarom blijven ze werken als ze al lang binnen zijn? Je kunt het samenvatten met een korte zin: I'll show them'.
Als geld de motivatie niet meer is, is status die des te meer: de wereld laten zien wat je kunt en er waardering mee oogsten. De Botton kent dat trouwens uit eigen ervaring. Hij is de enige zoon van bankier Gilbert de Botton, die een erfenis naliet van naar verluidt 200 miljoen euro. Als hij wil, is elke dag een picknick.
Welke beroepen hebben de meeste status? De vijf beroepen met de meeste status zijn: topman of -vrouw minister (president) artsen/specialisten hoogleraren en professoren rechters
De minste status krijgen: schoonmakers vuilnismannen winkelmedewerkers medewerkers in de plantsoenendienst fabrieksarbeiders
Wie veel krijgt, zal dat ook wel hebben verdiend
Blijft de vraag waarom juist die binnengelopen zakenlieden zoveel status hebben. De Botton heeft het antwoord. Tot op de naam van de geestelijk vader en de geboortedatum van het idee. Thomas Jefferson. 1776. Geen dank.
De staatsman schreef: ‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal'. Die openingswoorden van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring rekenden af met het idee van een door God geordende standensamenleving. Wie geboren was voor een stuiver kon met hard werk wel degelijk een dubbeltje worden.
Dat wekt de schijn van een meritocratie. Wie veel krijgt, zal dat ook wel hebben verdiend. In het zweet des aanschijns. De topmannen en -vrouwen zijn de eerlijke winnaars van de kapitalistische race. Anderen liepen gewoon niet hard genoeg.
Maar is dat wel zo? Hoogleraar Ewald Engelen schreef recent in De Groene Amsterdammer over bankiers. Eens waren we zo onder de indruk van hun ‘maatpakken en intimiderende jargon'. Maar: ‘toen het misging bleek dat zij doodleuk hadden zitten gokken.'
Nota bene de bestuursvoorzitter van General Electric - ingeschaald als het op een na grootste bedrijf ter wereld - merkte in de Financial Times op dat in de schreeuwerige jaren negentig ‘zelfs een hond' een bedrijf had kunnen leiden.
Dat vindt Wout Ultee te makkelijk. Ultee, een Nijmegense socioloog van het oude stempel, met een indrukwekkende, warrige bos krullen en een borstel van een snor, verrichtte het belangrijkste onderzoek dat in Nederland is gedaan naar status en werk.
Samen met collega-onderzoeker Sixma maakte hij in 1983 een beroepsprestigeschaal. Ze begaven zich op deels ontgonnen terrein. Al in 1958 had de Leidense hoogleraar Frederik van Heek zoiets gedaan, naar een beperkte hoeveelheid beroepen.
Maar tussen Van Heek en Ultee lagen de jaren zestig en zeventig, met hun cultuur van anti-establishment. ‘We verwachtten een grote verschuiving. Vanwege het wantrouwen tegen gezag. Maar uit de cijfers bleek dat niet. De ranglijst leek een harmonica. Hier en daar ingedrukt, maar de kernposities gelijk.'
In 1958 was de top vijf beroepen met status: hoogleraar, arts, burgemeester van een grote plaats, rechter, ingenieur. In 1983: chirurg, rechter, hoogleraar, burgemeester van een grote plaats, directeur van een industriële onderneming.
Misschien, moest Ultee vaststellen, was de Nederlandse bevolking niet zo anti-autoritair geworden als het scheen. ‘Als u een foto van een agent ziet, belaagd door provo's, wat denkt u: geeft de meerderheid van het publiek die agent dan meer status, of minder?'
Pakt slechte pers dan goed uit voor zwalkende ceo's? ‘Niet per se. Ik stel alleen vast dat de kleine, boze, groep ook nu veel aandacht krijgt van media. Terwijl het grote publiek kennelijk een genuanceerder beeld heeft van topmensen.'
Dat de boze minderheid nu - zonder tussenkomst van pers - de grieven eigenhandig op internet zet, maakt op Ultee geen indruk. ‘Vroeger waren mensen boos aan de borreltafel. Sociale media worden enorm overschat. De twitter-revolutie, hebben ze het over. In 1830 had je pas een revolutie.'
Alle beroepen in de top van statuslijstjes vragen iets bijzonders, zegt Ultee. En of mensen nou kritiek hebben of niet: de arts, de hoogleraar en ook de ceo kunnen iets dat weinig mensen kunnen. ‘Al is het maar dat je het lef hebt om tegen duizend-plus mensen te zeggen: ‘zo gaan we het doen'.
Jongeren en status
Kan iemand in kwade reuk staan en toch status hebben? Jazeker, leert onderzoek onder jongeren, door socioloog Jan Kornelis Dijksta (RUG). Het is zelfs eerder regel dan uitzondering.
‘Jongeren met hoge status liggen niet heel goed in de groep, vooral niet bij hetzelfde geslacht. Veel meisjes hebben een hekel aan het knapste meisje van de klas. Maar ze willen wel aardig worden gevonden door haar.'
Afgunst? Niet alleen. Soms is het moeilijk de koninkjes of koninginnen van het schoolplein aardig te vinden. Want kenmerkend voor de jongeren met hoge status is anti-sociaal gedrag. Schoppen naar beneden. Soms verbaal, soms letterlijk.
Daarmee komen ze weg, omdat het altijd gecombineerd gaat met positieve eigenschappen. Dijkstra: ‘Een knappe verschijning, charme, goed zijn in sport.' Ook: risico-gedrag zoals drinken en roken.
De indruk bestaat dat status het karakter vormt, zegt Dijkstra. Ten positieve: ‘kinderen met status kunnen beurtelings aardig doen en dwingend zijn om hun zin te krijgen. Anderen leren dat pas later, of nooit.' En ten negatieve: ‘risicogedrag kan doorslaan om status te behouden.'
Het is niet onlogisch, zegt Dijkstra, om aan te nemen dat voor zakelijke en politieke toppers precies hetzelfde geldt.
Voor de niet-ceo's van de wereld - en dat zijn er nogal wat - zijn boeken volgeschreven over het vergaren van status. Eén leert rattenstreken uit te halen om te stijgen door de rangen. Een ander doceert de juiste kleding en gebruik van non-verbale communicatie. De zeven- en negenstappenplannen komen met pallets tegelijk op de markt.
Ook merkkleding en andere dingen die blinken, helpen. Zo wordt verondersteld. Nog maar een week geleden publiceerden onderzoekers van de Universiteit van Tilburg een studie die stelt dat merken werken. Een Tommy Hilfiger trui is een instant shot status.
Leuk allemaal. Maar als je zojuist een potje hebt gemaakt van de jaarcijfers, is geen collega nog onder de indruk van je kekke pullover. De Intermediair-respondenten blijken dan ook amper onder de indruk van uiterlijke statussymbolen op kantoor.
Aantrekkelijk zijn (2,5 procent), een vlotte babbel hebben (3,3 procent), een verzorgd uiterlijk (6,5 procent), strak in pak gestoken zijn (13,5 procent); de respondenten vinden het amper statusverhogend. Van alle uiterlijkheid, helpt een mooie auto nog het meest (16 procent). Maar dan vooral bij mannen.
Ook imponerend doen levert niet direct aanzien op. Veel overwerken: nou, nou, poeh, poeh. 2,3 procent is onder de indruk. Een mooie functieomschrijving heeft bij 10 procent status. Een ingewikkelde klus werkt volgens 14 procent statusverhogend.
Onder het vergrootglas van de naaste collega's komen foefjes nou eenmaal snel uit. De bezigheden die echt status opleveren, zijn niet te koop of in een 7-stappenplan aan te leren: leiding geven (42,6 procent), veel kennis hebben (45,6 procent) en beleid bepalen (51,9 procent).
Op basis van de antwoorden van het Intermediair-panel, volstaat een ontnuchterend eenvoudig advies voor mensen die meer status willen. Leer een vak (opleiding heeft voor 80 procent status), scoor een baan (werk: 73,2 procent), en toon verantwoordelijkheidsbesef (76,9%). Dat levert uiteindelijk ook voldoende geld op om betere boeken te kunnen kopen.
Onderzoeksverantwoording Aan het statusonderzoek werkten 399 respondenten mee. 61% mannen en 39% vrouwen. 68% werkt bij een bedrijf. 24% is in overheidsdienst. 8% is zelfstandige. De respondenten zijn hoogopgeleid (60% wo, 40% hbo) en lopen al een poos mee. Gemiddeld zijn ze 38 jaar oud en hebben ze 14 jaar werkervaring. Veel van hen geven leiding. 25% aan een clubje van maximaal 5 werknemers. 19% aan nog meer. 27% verdient tussen de 45.000 en 60.000 euro per jaar. 34% zit daarboven. 15% heeft het salaris niet opgegeven.
Illustratie: Hypnoteis
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'Collega's en bazen'
Reageer, print of deel dit artikel
|