Hoogleraar psychologie: ‘Lang geloofd in de maakbaarheid van mensen'
Auteur: Daphne van Paassen
|
11-01-2011
|
Mail dit artikel
Bevlogenheid - zowel bedrijven als werknemers hebben een gretige belangstelling voor het fenomeen. Allemaal dankzij het nieuwe werken, denkt Wilmar Schaufeli, hoogleraar organisatiepsychologie, van wie net het boek 'Bevlogen aan het werk' verscheen.
CV
Wie: Wilmar Schaufeli Geboren: 30 mei 1953 in Doetinchem Opleiding: psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen (1978), gepromoveerd in 1988 Loopbaan: universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit (1988-1994); hoogleraar organisatiepsychologie Universiteit Utrecht (1994-heden); directeur researchinstituut Psychology and Health (2000-2005)
Bent u bevlogen?
‘Op de door mij ontwikkelde bevlogenheidstest scoor ik ruim boven het gemiddelde van 4,3 op een zevenpuntsschaal. Volgens mijn vrouw neig ik zelfs naar workaholisme. Maar dat bestrijd ik. Bevlogen mensen en workaholics werken allebei veel en hard. Het verschil is hun motivatie. Bevlogenen doen het omdat ze hun werk zo leuk en interessant vinden, workaholics omdat ze moeten, omdat ze anders ongelukkig worden, zich nutteloos en onbelangrijk voelen. Maar natuurlijk is de scheiding niet altijd duidelijk te maken en is er overlap. Je maakt ook wel eens een klus af uit plichtsbesef, terwijl je eigenlijk iets anders had willen doen.'
Wat is uw talent? ‘Ik ben geen Nobelprijswinnaar en er zijn mensen die veel meer geld binnenhalen voor onderzoek en mensen die nog meer publiceren. Ik blink niet uit in één zaak, maar kan verschillende talenten combineren. Ik kan leidinggeven, een team smeden, mensen motiveren en ik publiceer vrij veel. Juist die combinatie is handig als je hoogleraar bent.'
Zonder mazzel geen succes. Op welk cruciaal moment in uw carrière heeft u mazzel gehad?
‘Toen ik promoveerde, waren er bijna een miljoen wao'ers. Er was veel aandacht in het bedrijfsleven en de politiek voor mijn onderzoeksveld werkstress en ziekteverzuim. Ik kon aan drie universiteiten hoogleraar worden. Als ik mijn onderzoek tien jaar eerder of later had gedaan, was dat waarschijnlijk heel anders geweest. Mijn inaugurele rede was voorpaginanieuws voor de Volkskrant.'
Wat wilde u worden toen u tien was? ‘Ingenieur. Mijn grootvader was smid. Ik zat vaak bij hem in de smederij te kijken en te knutselen. Klokjes uit elkaar halen en zo begrijpen hoe het werkt. Ik wilde graag dingen maken. Maar ik kreeg van mijn opa ook mee dat ik beter geen smid kon worden: altijd sappelen, nooit vrij. Om ingenieur te worden moest ik naar mijn idee echter uitblinken in wiskunde, en dat deed ik niet. Dus werd het knutselen aan hersenen. Ik had toen nog een vrij naïef beeld van psychologie en psychiatrie: je repareert wat aan de bedrading in mensen hun hoofd en ze worden beter.'
Het beste advies dat ik ooit kreeg ‘Hoewel mijn vader psychologie maar een vage studie vond, drukte hij me wel op het hart vooral te gaan studeren wat ik leuk vond omdat je er anders nooit goed in kon worden. Onderzoek laat zien dat hij gelijk had.'
Hoe heeft uw jeugd u gevormd?
‘Ik leefde in een zogenaamde extended family in Doetinchem: met mijn ouders bij mijn grootouders in, met de smederij aan huis. Altijd mensen over de vloer dus. Altijd verhalen. Je ontwikkelt dan een soort Fingerspitzengefühl voor sociale verhoudingen, voor hoe mensen met elkaar omgaan. De ene dag kwam die met dat verhaal en de volgende dag zijn buurman die een heel ander verhaal had. Tegelijk laat dit antwoord zien hoe narratief wij mensen zijn: we zien ons leven als een verhaal met een duidelijke rode draad, terwijl het in werkelijkheid natuurlijk vaak van toevalligheden aan elkaar hangt. Dat ik psychologie ging studeren kan te maken hebben gehad met die vroeggewekte interesse in sociale verhoudingen, maar ook met de Zeitgeist die eiste dat je je maatschappelijk engageerde. Dat deed ik door de gevolgen van werkloosheid op de psyche te bestuderen.'
Welke fout was essentieel voor uw loopbaan? ‘Ik heb lang geloofd in de maakbaarheid van mensen. Toen ik werd gevraagd om met een bestaand team een nieuwe onderzoeksgroep te vormen rond het thema werk en gezondheid, dacht ik die club wel die richting op te kunnen kneden. Ik had de illusie dat anderen door mijn enthousiasme zouden worden aangestoken. Maar ik vergiste me in de natuur van veel wetenschappers: als die eenmaal een specialisme hebben zijn ze - positief gesteld - daar zo mee begaan dat je ze er moeilijk vanaf krijgt. Daar zou ik nu niet meer drie jaar op gaan zitten wachten.'
Welke maatschappelijke/technologische ontwikkeling heeft een rol gespeeld in uw loopbaan?
‘Door de opkomst van het nieuwe werken moeten mensen steeds autonomer werken. En kunnen leidinggevenden steeds minder controle uitoefenen. Dat is ook niet nodig als werknemers gedreven hun vak uitoefenen. Vandaar dat veel organisaties op dit moment geïnteresseerd zijn in bevlogenheid en passie.'
Wat had u ook kunnen worden? ‘Historicus. Alleen had ik geen zin om geschiedenisleraar te worden. Maar het tijdreizen trok me aan; het relativeert je blik op de wereld. Nu doe ik dat door in mijn vrije tijd historisch werk te lezen en door veel te reizen voor mijn werk. Wij onderzoekers denken altijd dat onze uitkomsten generiek zijn. Maar ik kom regelmatig in Japan en vraag me ernstig af of daar dezelfde aspecten een rol spelen bij werkstress en bevlogenheid. Ze willen daar graag onze bevlogenheidsmodellen toepassen. Maar zaken als senioriteit, gunsten en afkomst zijn daar veel meer van invloed op de werkbeleving en prestaties van werknemers dan bij ons. Reizen relativeert het eigen gelijk.'
Op wiens carrière bent u jaloers?
‘Ik ben echt jaloers op het talent van mensen als Peter Bieri, die, onder het pseudoniem Pascal Mercier, de roman Nachttrein naar Lissabon schreef. Een filosoof die zijn ingewikkelde filosofisch wereldbeeld weet te vertalen naar een romanwereld. Sartre kon dat ook; de ivoren toren van de wetenschap verlaten en zijn werk een plaats geven in de gewone wereld.'
Waar droomt u van? ‘Ik mis het talent om een roman te schrijven, daar ben ik van overtuigd. Ik schrijf ook niet in het geheim aan een boek. Maar ik wil wel graag een verbinding maken tussen de wetenschap en de praktijk van alledag. Daarom heb ik net met Pieternel Dijkstra een populair wetenschappelijke boek over bevlogenheid geschreven. Maar rigoureuzer is dat ik om die reden parttime ontslag heb genomen aan de universiteit om vanaf maart dit jaar voor de helft van de tijd bij adviesbureau Schouten en Nelissen te gaan werken. Zij willen een meer wetenschappelijke basis geven aan hun trainingen en adviezen. Ik ga dat onafhankelijke onderzoek doen.'
Fotografie Mark van der Zouw
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'De loopbaan van'
Reageer, print of deel dit artikel
|