André Kuipers: 'Ik ben niet superhandig'
Auteur: Bruno van Wayenburg
|
07-10-2009
|
Mail dit artikel
André Kuipers (51) maakte als tweede Nederlandse astronaut een ruimtereis in 2004. Eind 2011 gaat hij per Sojoez-raket voor een half jaar naar het internationale ruimtestation, om daar wetenschappelijke experimenten uit te voeren, maar hopelijk ook een ruimtewandeling.
Wie: André Kuipers Leeftijd: 51 Opleiding: geneeskunde aan de UvA Loopbaan: luchtvaartgeneeskunde bij de Luchtmacht, onderzoeker bij aeromedisch instituut het nationaal lucht- en ruimtevaart geneeskundig centrum in Soesterberg, medisch onderzoeker en coördinator bij de Europese ruimtevaartorganisatie ESA, in 1998 geselecteerd bij het Europees astronautencorps, eerste elfdaagse ruimtevlucht in 2004, nu in training voor een half jaar in het internationale ruimtestation
Waar ben je goed in?
‘Communiceren, denk ik, met mensen van allerlei disciplines, en ook met belangstellenden van buiten de ruimtevaart, kinderen bijvoorbeeld. En volhouden, ik zal niet snel iets opgeven. Techniek, daar ben ik niet speciaal een uitblinker in, maar beter dan anderen. Dit is wel een technisch beroep, je moet veel verschillende apparaten kunnen bedienen, maar ik ben niet superhandig, sleutel ook niet aan auto's of zo. Ik ben gewoon handig genoeg.'
Wat is je meest vormende ervaring? ‘Ik denk toch het feit dat ik op mijn twaalfde sciencefiction ging lezen, en geïnteresseerd raakte in de ruimte. Eerst ging het om de avonturenverhalen, jongensdromen met raketten en zo, maar later werd het serieuzer, toen ik series zag als Cosmos van Carl Sagan. Dat is voor mij uiteindelijk ook de reden geweest om geneeskunde te gaan studeren. Het ging ook over mogelijke levensvormen op andere planeten, hoe het leven werkt, hoe een cel werkt. Ruimtevaart, dat was iets voor Amerikanen. Maar later, toen Wubbo Ockels de ruimte inging, realiseerde ik me dat ik misschien toch een kans zou maken. Toen heb ik besloten die kant op te gaan.' Wanneer heb je mazzel gehad? ‘Ik heb de gok genomen om in mijn ruimtevaartdroom te gaan werken, om niet in de kliniek te gaan werken als medisch specialist, maar om de ruimtevaartgeneeskunde in te gaan met de hoop om ooit astronaut te worden. Het vakgebied zelf was exotisch, maar vergeleken met de kliniek was het wel minder actie, minder avontuur. Teamwork, contact met patiënten, diagnoses stellen, dingen oplossen; dat vond ik wel heel bevredigend aan de kliniek. Dat geef je toch op, en het had gemakkelijk niet kunnen lukken om astronaut te worden. Dat was riskant, maar het was een bewuste gok. Ik wist, als ik het niet probeer, heb ik later spijt. Als anderen mij afwijzen, kan ik daar mee leven, maar aan mij zal het niet liggen. En toen heb ik natuurlijk enorme mazzel gehad dat ik geselecteerd ben, tussen al die anderen, die ook heel goed waren, misschien wel beter, maar net iets te oud, of net iets te jong.'
(Fotografie: Mieke Meessen)
Wat heb je tienduizend uur gedaan?
‘Geneeskunde. En ik denk dat ik met alle trainingen voor mijn eerste en tweede ruimtevlucht ook wel aan de tienduizend uur kom. Je moet enorm veel leren: apparaten, noodprocedures, de experimenten van de onderzoekers, maar ook ins en outs van het Internationale Ruimtestation en de Sojoez.'
Wat is je grootste fout? ‘Geen dramatische blunders. Bij de astronautenselectie heb ik eens een uitgebreid vraaggesprek gehad tegenover een panel van vijftien mensen, en toen ik wegliep gooide ik met mijn arm een glas jus d'orange om. Toen dacht ik wel: "Oei". Als astronaut mag je natuurlijk niet al te klunzig zijn. Maar blijkbaar heeft het niet tegen me gewerkt. Verder maak je natuurlijk altijd fouten, als arts, als vlieger, als astronaut. Tijdens mijn ruimtevlucht, toen ik het aanzetten van een CO2 -scrubber in de Soyoez uitstelde omdat er een luik nog open was, maar het vervolgens vergat toen het luik dichtging. Die srubber filtert de CO2 die je uitademt weg, dus op een gegeven moment gaat er een alarm dat het CO2-gehalte te hoog wordt. Dat zien ze op de grond ook, dus je denkt wel "verdorie". Als ik geen astronaut was geworden, was het heel jammer geweest, maar dat zou ik dan geen fout genoemd hebben. Al vind ik het zelfs nu soms nog jammer dat ik niet in de kliniek werk, als ik bijvoorbeeld met jaargenoten spreek.'
Wie heb je onrecht aangedaan? ‘Even nadenken hoor. Je bent natuurlijk wel egocentrisch bezig in dit vak, het is een obsessie die je najaagt. Ik ga niet over lijken, maar als mijn vrouw had gezegd: dit laat ik je niet doen, dan was ik toch doorgegaan. Voor mijn vrouw en kinderen is het ook wel zwaar, ik ben maar heel weinig thuis. Ik kan mijn kinderen bijvoorbeeld zelden helpen met huiswerk, ook niet als er examens aankomen. Dat heel weinig bij je gezin zijn is wel het zwaarste van het astronautenleven. Maar dat is geen onrecht, vind ik, het hoort bij je carrièrekeuze. Het zijn zware offers die je van je omgeving vraagt, dat wel.'
Het beste advies dat ik ooit kreeg
‘Je moet geen hoogtevrees hebben, zei mijn hoogleraar. En dat bedoel ik niet letterlijk, maar meer in de zin dat alle mensen, koningen, hoogleraren, astronauten, gewoon ook maar mensen zijn, die je kunt benaderen, met wie je kunt praten. En wiens niveau je ook kunt bereiken.'
Waar zie je het meest tegenop, tijdens je halve jaar in de ruimte?
‘Naast dus het feit dat je je gezin mist, het feit dat iedereen over je schouders meekijkt, en dat je moet voldoen aan hoge verwachtingen, niet in de laatste plaats die van jezelf. Dat moet je toch maar waar zien te maken. Er is zo veel materiaal dat je moet leren, dat ik soms denk: dat weet ik over een half jaar echt niet meer. Gelukkig zeggen ook collega's die eerder hebben gevlogen, dat het erom gaat dat je de procedures kunt lezen, dat je inderdaad niet alles kunt kennen. Dat stelt wel gerust.'
Waar zie je het meest naar uit? ‘Het eerste doel was natuurlijk, drieëndertig jaar lang, om in de ruimte te komen, ten koste van alles. Als je dat dan een keer gedaan hebt, komt er vanzelf wat nieuws voor in de plaats. Natuurlijk zou ik op Mars of op de Maan willen landen, maar dat is niet echt realistisch meer. Maar een ruimtewandeling, in een ruimtepak buiten het ruimtestation iets repareren of bevestigen, dat zit er misschien nog wel in. Dat je je hoofd buiten het luik mag steken, en zelf een soort satelliet wordt. Dat lijkt me prachtig.'
Ben je ooit bang geweest? ‘Niet tijdens de lancering of de landing. Wel een soort schrik als je uit het raam kijkt, en ziet wat een dun, ijl vliesje de atmosfeer is, naast dat enorme zwart van de ruimte. Dan besef je: we hebben maar een aarde, als die kapot gaat, hebben we niets meer. Ja, dat weet je natuurlijk wel, maar als je het met eigen ogen ziet, is het bijna beangstigend.'
Je bent niet bang voor een zwart gat na 2011? ‘Absoluut niet, dan heb ik eindelijk tijd voor mijn gezin.'
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek 'De loopbaan van'
Reageer, print of deel dit artikel
|