Robbert Dijkgraaf: 'Ik leef in een theoretische wereld'
Auteur: Kees Versluis
|
30-01-2008
|
Deel dit artikel
Robbert Dijkgraaf, een van Nederlands meest prominente natuurkundigen, heeft geen laboratorium nodig: hij denkt vooral diep na. 'Wij snaartheoretici zijn een soort leeuwen die in de savanne liggen te zonnen.'
Ideale schoonzoon, zal er vaak over Robbert Dijkgraaf (48) gefluisterd zijn. 'Troetelbèta', noemde de Volkskrant hem onlangs. De man die in mei Nederlands meest eminente wetenschapper wordt (Dijkgraaf wordt dan president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) komt over als een gelukkige, warme vader die nooit boos wordt, ondanks zijn bovengemiddeld zware stemgeluid. Iets jongensachtigs heeft hij ook, terwijl hij al zestien jaar hoogleraar is en een van de prominentste natuurkundigen van Nederland.
Dijkgraaf is geen doorsnee bètawetenschapper. Hij heeft geen lab, doet geen experimenten, denkt eigenlijk vooral diep na. Over de grondstructuren van de werkelijkheid, hoe tijd, ruimte, elementaire deeltjes en natuurkrachten precies met elkaar samenhangen. Daarbij is hij een aanhanger van de snaartheorie, die de laatste twaalf jaar weer sterk opgeld doet in de natuurkunde: tiendimensionale piepkleine trillende snaartjes vormen de basis van de werkelijkheid.
Zijn niet-alledaagse carrièrepad spreekt eveneens tot de verbeelding. Als student gaf hij na vier jaar gedemotiveerd zijn natuurkundestudie op en meldde zich bij de Gerrit Rietveld Academie om kunstenaar te worden. Met zijn realistisch schilderwerk kwam hij zonder problemen door de zware selectie heen ('een op twintig mocht door'). Zijn cultuur- en maatschappijgerichte kant botviert hij nu in de vele dingen die hij naast het hoogleraarschap doet: tv-optredens, een column in NRC Handelsblad, tientallen lezingen per jaar voor 'gewone' mensen. Daarnaast zit Dijkgraaf in tal van adviescommissies en besturen, onder andere de raad van toezicht van het oudste museum ter wereld, het Teylers Museum in Haarlem, waar het interview plaatsvindt.
Dit museum is bezwangerd met de negentiende eeuw: vitrinekasten met oude stenen, botten van prehistorische dieren en ouderwetse natuurkundige apparatuur. 'Ja, schitterend. Het mooie is dat Teylers toen het eind achttiende eeuw werd opgericht niet bedoeld was als museum, maar als plaats waar de gegoede burgerij zichzelf wilde opvoeden in de natuurwetenschappen door zelf experimenten te doen en te aanschouwen. In alle grote steden in Nederland werden daartoe toen gezelschappen opgericht.'
Dat is moeilijk meer voor te stellen: zakenmensen en advocaten die hun weekenden wijden aan het bekijken en bediscussiëren van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen. 'Wetenschap had eind achttiende en in de negentiende eeuw een grote symbolische waarde, verwees naar vooruitgang en Verlichting. Tot niet zo lang geleden had de wetenschap daarom vanzelfsprekend veel status en ruimte in de samenleving. Maar de wereld is de laatste decennia veel dynamischer geworden, er is geen ruimte meer voor ivoren torens. Daarom moet de wetenschap tegenwoordig vechten voor een belangrijke plaats in de maatschappij. Ik ben er niet pessimistisch over dat dat lukt, omdat wetenschap een van de weinige zaken is die echt ergens over gaan. Maar dat moeten we dan wel laten zien.'
Dat laten zien, daar bent u heel bedreven in: weinig wetenschappers verschijnen vaker in de media. 'Dat gaat bij mij vanzelf, omdat ik pas echt kan genieten van dingen als ik ze met anderen deel. Als ik vroeger een film gezien had, een boek gelezen, of zelfs op vakantie was geweest, dan had ik het pas echt meegemaakt als ik het thuis aan mijn vriendjes kon vertellen. Dat geldt nog steeds voor mijn enorme enthousiasme voor de wetenschap.'
Is dat de reden dat u in mei president wordt van de Akademie van Wetenschappen? 'Voor het presidentschap word je gevraagd; vervolgens stemmen de leden over je kandidatuur. Ik zie het inderdaad wel zo dat ik wat ik nu los doe - alle lezingen en dergelijke - vanaf mei in georganiseerd KNAW-verband kan doen. Ik hoop dat het me lukt bijna net zoveel tijd voor mijn wetenschappelijk onderzoek te houden als nu.'
Hoe kan dat nou? Voor het presidentschap staan officieel drie dagen in de week. 'Ik ben een behoorlijk efficiënt mens, verlummel maar weinig tijd. Dat geldt zo'n beetje voor alles. Als ik boodschappen ga doen, ben ik meestal heel snel terug. Al van jongs af aan ben ik een multitasker. Vroeger maakte ik mijn huiswerk het liefst met de tv aan en met een gesprek in de huiskamer dat ik ook nog volgde. Ik kan me eerlijk gezegd dan ook niet erg druk maken over de aanpak van scholieren en studenten tegenwoordig: huiswerk maken terwijl je een dvd'tje kijkt, muziek luistert, sms't en tussendoor ook nog even chat. Nog steeds heb ik vaak lezingen op de achtergrond aanstaan als ik aan het werk ben. Veel universiteiten hebben tegenwoordig hoorcolleges online staan, heerlijk om op die manier bij te blijven in andere vakgebieden.'
Dan wint u waarschijnlijk veel tijd door uw vrouw het huishouden te laten doen. Koken doet zij zeker? 'Nee, ik ben thuis meestal de kok. Ik heb daarbij een gouden regel: het koken mag niet langer duren dan het opeten.'
Maar als u ooit de Nobelprijs wilt winnen, moet u toch al uw tijd en aandacht aan uw onderzoek besteden? 'Ik kreeg ooit een droomaanbieding om hoogleraar aan Harvard te worden. Dan had ik alles op het onderzoek moeten gooien en veel nevenactiviteiten moeten opgeven, want Amerikanen vinden dat een enorme waste of time. Daar heb ik bewust niet voor gekozen. Afwisseling werkt bij mij heel goed voor het creatieve proces. Als ik een populaire lezing geef, word ik eraan herinnerd wat ik eigenlijk doe, wat de essentie is van mijn onderzoek. In de wetenschap dreigt voortdurend het gevaar van bijziendheid omdat je heel dicht op de details zit. Natuurlijk heb ik soms ook heel intensieve periodes in mijn onderzoek, dan sluit ik mezelf weken op. Daarbij heb ik het grote voordeel dat ik geen groot lab heb waar ik iedere dag moet zijn. Ik leef in een theoretische wereld.'
Hoe ziet een werkdag van een theoretisch wetenschapper zoals u er eigenlijk uit? 'Wij snaartheoretici zijn een soort leeuwen die in de savanne liggen te zonnen. Ineens zien we een prooi, een idee, en dan gaat het heel snel. Een heerlijk gevoel. In 1995 was er zo'n moment: iemand toonde aan dat alle verschillende snaartheorieën die er voor die tijd bestonden, in wezen allemaal hetzelfde waren. Dat bracht een enorme golf van nieuwe inzichten teweeg. Na 1995 was er af en toe nog wel eens een kleinere prooi op de savanne die voorbij kwam. Momenteel liggen we weer wat meer te zonnen, maar morgen kan dat anders zijn.'
Wat fascineert u zo aan dit extreem theoretische vakgebied? 'Ik wil weten waarom natuurwetten zijn zoals ze zijn, of er een systeem achter zit. Er zijn in de wetenschap twee verschillende kijken op de natuur. De eerste is die van Einstein: de werkelijkheid had niet anders kunnen zijn dan ze is, in zijn woorden: God had geen keuze. Een andere visie die nu veel opgeld doet onder kosmologen, is dat het allemaal toeval is: de natuurwetten en de elementaire deeltjes hadden net zo goed heel anders kunnen zijn. Sommige waaromvragen zijn inmiddels door de snaartheorie wel te beantwoorden. Waarom is er zwaartekracht? Omdat een universum zonder zwaartekracht onmogelijk is. Waarom is de materie samengeklonterd in sterren en planeten? Dat blijkt noodzakelijk te volgen uit de onzekerheden van de kwantummechanica vlak na de oerknal. Maar we zijn niet overal uit. Hoe de werkelijkheid eruitziet, wordt bijvoorbeeld voor een groot deel bepaald door de waarden van allerlei natuurconstantes zoals de fijnstructuurconstante. Die bedraagt één gedeeld door 137,13. Is die waarde toevallig of noodzakelijk? Het is een vraag die voor vele natuurkundigen onder wie ik zelf verslavend is. Veel andere natuurkundigen hebben niets met dit soort metafysische vragen. Die zeggen: shut up and calculate.'
Heeft u die fascinatie voor natuurkunde van kinds af aan gehad? 'Nee, ik wist alles van dieren en de natuur, maar de fascinatie voor de fysica kwam pas op mijn zestiende. Ik moest voor Engels een spreekbeurt houden. Daarvoor kocht ik het blad Scientific American. Op de voorkant stond een abstract plaatje van een bol met allerlei kleuren. Ik dacht: wat is dit nou? Het was een kerndeeltje, een kwark. Het voelde alsof er in mijn hoofd aan een touwtje werd getrokken, alsof ik op iets stuitte wat voor mij bedoeld was. Vanaf dat moment las ik alles wat ik over natuurkunde kon vinden. 'Eens in de zoveel tijd gebeurt dat: je stuit op iets waarvan je direct weet, dit is mijn wereld, dit bepaalt mijn bestaan de komende vijf jaar. Ik denk dat iedereen die knop heeft. Ieder mens heeft een aantal dingen waar hij naar op zoek is. Voor de een is dat de kwantummechanica, voor de ander een bepaald muziekinstrument. En als je echt door iets gefascineerd bent, kun je z- ver komen, dat gaat dan bijna vanzelf. Als je geluk hebt, stuit je al vroeg in je leven op je ding.'
Ik vraag me af of het zo werkt. Waren uw ouders niet bovenmatig geïnteresseerd in wetenschap? 'Mijn vader had een grote bibliotheek in huis; hij had boeken over alles, dus ook natuurwetenschap. Als kind zat ik in die boeken veel te grasduinen. Zelf waren mijn ouders typische alfa's, ze hadden niets met natuurkunde en wiskunde. 'Op de lagere school in Ridderkerk was ik vooral bezig met knippen, plakken en tekenen. School was voor mij een soort voorprogramma van het echte leven dat begon als de bel ging. Met een boezemvriendje zat ik dag en nacht op zolder te werken aan de meest bizarre dingen: tekenfilms, stripboeken, dierenprenten, theatervoorstellingen. Heerlijk, zo'n apart universum waar iedereen je met rust laat. Ik denk dat ieder kind zo'n plek, zo'n spreekwoordelijke rommelzolder, nodig heeft. 'De overgang naar het veel serieuzere Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam was dan ook ingrijpend. Daar draaide het om hoge cijfers halen. Ik paste me razendsnel aan. Een tien min ervoer ik al snel als een ernstige kras op mijn reputatie, ik nam het allemaal veel te serieus. 'Toen ik vervolgens natuurkunde in Utrecht ging studeren, viel me dat enorm tegen. Ik voelde me niet gestimuleerd, het onderzoek was heel ver weg en de toekomst voelde beklemmend. Na vier jaar was de lol er voor mij behoorlijk af, ik stond voornamelijk nog op de tennisbaan en besloot uiteindelijk de studie vaarwel te zeggen en naar de Rietveld Academie te gaan. Nog nooit in mijn leven was ik zo blij als toen ik daar werd toegelaten. Het rare was: juist in dat jaar op de Rietveld kon ik weer naar wetenschap kijken zoals ik dat op mijn zestiende deed: los van de structuur van de opleiding en het bijbehorende carrièrepad. Ik ging weer uit mezelf natuurkundeboeken lezen en stelde mezelf de confronterende vraag: mijn leven ergens voor geven kan één keer, waar denk ik écht succesvol in te kunnen worden: de kunst, of de natuurkunde?'
U keerde na een jaar Rietveld terug naar de natuurkunde, studeerde in sneltreinvaart af, promoveerde en was op uw 32e al hoogleraar. Lastig, als broekie leiding geven aan jaloerse, veel oudere wetenschappers? 'Ik werkte in Princeton, het Mekka van de snaartheorie, toen ik die aanbieding kreeg om hoogleraar te worden in Amsterdam. Ik belandde in Amsterdam in een defaitistisch sfeertje waar je als 32-jarige ambitieuze wetenschapper eigenlijk niet aan toe bent. De studentenaantallen liepen sterk terug en er werd serieus gesproken of de opleiding op termijn wel zou blijven bestaan. Heel gemakkelijk was die begintijd dus niet. Ik had bovendien het idee dat ik het hoogst haalbare in mijn vakgebied had bereikt: hoogleraar. Daarin heb ik me sterk vergist. Terugkijkend kan ik zeggen: je carrière begint pas als je hoogleraar wordt.'
U won vervolgens onder meer de Spinozaprijs, de officieuze Nederlandse Nobelprijs. En nu wordt u dus president van de KNAW, waarvan alleen de ongeveer tweehonderd beste Nederlandse wetenschappers lid zijn. Wat wordt uw persoonlijke missie? 'De wetenschap zichtbaar maken op alle mogelijke manieren. Ik wil niet alleen de KNAW-leden maar juist ook jonge wetenschappers op het podium tillen. Zij hebben een enorme gretigheid om hun plaats in het publieke debat te veroveren. Er wordt vaak gezegd dat de huidige generatie studenten minder weet dan de vorige. Dat is in sommige opzichten inderdaad een feit. Maar ik merk duidelijk dat ze meer belangstelling in de breedte hebben dan vroeger, en meer de neiging om uit te blinken dan toen ik zelf studeerde. Daarom houd ik van deze generatie studenten en promovendi.'
Fotografie Marcel Bakker
CV Robbert Dijkgraaf
Leeftijd: 48 Geboorteplaats: Ridderkerk Status: getrouwd, drie kinderen: Jurriaan (11), Matthijs (9) en Charlotte (7) Woon-werk: 'Vijf tot tien minuten fietsen, ik woon aan de Herengracht in Amsterdam vlakbij mijn werk' Is: universiteitshoogleraar aan de UvA (specialisme mathematische fysica, met name de snaartheorie) Wordt: per 19 mei president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) Boek op het nachtkastje: de Max-Planckbiografie Der Physiker door Ernst Peter Fischer. 'Ik ben verknocht aan biografieën van natuurkundigen' Instrument: 'Ik speel dwarsfluit, heb lang in een fluitensemble gespeeld. Verder een beetje klavecimbel en piano' Mooiste muziekstuk: 'Mozarts klarinetconcert, de eerste plaat die ik ooit kreeg' Schildert: 'Alleen nog af en toe in opdracht, bijvoorbeeld een poster of boekomslag' Website: aldaily.com
Wellicht ook interessant:
Meer artikelen in de rubriek Branches - Onderwijs & wetenschap:
Reageer, print of deel dit artikel
|